ECLI:NL:PHR:2006:AU9438
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verlaagt ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak
In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Amsterdam aan verdachte de verplichting opgelegd om een bedrag van € 65.119,28 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat te betalen. Verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, waaronder een beroep op schending van de redelijke termijn en een vermeend vormverzuim door uitzetting van getuigen.
De Hoge Raad constateert dat de inzendingstermijn in cassatie met acht maanden en acht dagen is overschreden, wat de redelijke termijn overschrijdt. Gezien de omstandigheden, waaronder de aard van de strafzaak en eerdere overschrijding in de strafzaak zelf, acht de Hoge Raad deze overschrijding reden voor verlaging van het te betalen bedrag.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het vermeende vormverzuim door uitzetting van getuigen geen strafprocesrechtelijk vormverzuim oplevert, omdat de uitzetting niet onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie viel en geen schending van procesregels inhoudt. Ook is geen reden gezien om onderscheid te maken tussen verdachte als natuurlijk persoon en de BV waarvan zij directeur is.
De overige middelen van cassatie worden verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het te betalen bedrag dient te worden verlaagd vanwege de termijnoverschrijding, zonder dat vernietiging van het arrest noodzakelijk is.
Uitkomst: De Hoge Raad verlaagt het te betalen bedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt de overige cassatiemiddelen.