ECLI:NL:PHR:2006:AV0054
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen rechtsgevolg van naturalisatiebesluit bij valse persoonsgegevens zonder bijzondere omstandigheden
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verweerder, een vluchteling uit voormalig Joegoslavië, heeft in 1999 een naturalisatiebesluit ontvangen op basis van onjuiste persoonsgegevens, waaronder een verkeerde achternaam, geboorteplaats en namen van ouders.
Na onderzoek in 2004 bleek dat de opgegeven personalia niet juist waren. De minister stelde dat het besluit geen rechtsgevolg heeft omdat het betrekking heeft op een andere persoon dan verweerder. De rechtbank stelde echter vast dat het besluit niet was ingetrokken en gaf rechtsgevolg aan het besluit, wat de Staat in cassatie aanvocht.
De Hoge Raad bevestigt dat een naturalisatiebesluit met valse of fictieve persoonsgegevens geen rechtsgevolg heeft, tenzij bijzondere omstandigheden de identiteit van de aanvrager voldoende vaststellen. In deze zaak zijn dergelijke omstandigheden niet vastgesteld. Het beroep van de Staat slaagt, de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het verzoek wordt afgewezen.
Uitkomst: Het naturalisatiebesluit van 11 juni 1999 mist rechtsgevolg en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen.