In deze zaak gaat het om verzoekers die op basis van naturalisatiebesluiten van vóór 1 april 2003 het Nederlanderschap hebben verkregen, maar waarbij gebruik is gemaakt van valse of fictieve persoonsgegevens. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft het voornemen uitgesproken om rechtsgevolg aan deze besluiten te onthouden. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, stellende dat naturalisatiebesluiten met valse persoonsgegevens van vóór genoemde datum geen rechtsgevolg hebben, behoudens bijzondere omstandigheden die hier niet aanwezig zijn.
Verzoekers stelden dat dit onderscheid in strijd is met het Unierecht en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en dat bijzondere omstandigheden een ruimere beoordeling vereisen. De Hoge Raad bevestigt de eerdere rechtspraak dat naturalisatiebesluiten met valse persoonsgegevens vóór 1 april 2003 geen rechtsgevolg hebben, en dat het onderscheid gerechtvaardigd is door de wetswijziging van 1 april 2003 en het ontbreken van aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat verzoekers geen beroep kunnen doen op het Unierecht, omdat zij nooit het Unieburgerschap hebben gehad, en dat het EVRM geen recht op nationaliteit verleent. De klachten worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.