ECLI:NL:PHR:2006:AV0413
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij vervolging ongewenstverklaarde vreemdeling zonder terme de grâce
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een verdachte werd veroordeeld wegens het in Nederland verblijven als ongewenstverklaarde vreemdeling in strijd met artikel 197 Sr Pro. Het centrale geschilpunt was de betekenis en toepassing van de zogenaamde "terme de grâce", een termijn die aan een ongewenstverklaarde vreemdeling gegund kan worden om het land te verlaten na ontslag uit detentie.
Het hof oordeelde dat hoewel een ongewenstverklaarde vreemdeling in principe onmiddellijk Nederland moet verlaten, gronden van redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden een termijn kunnen rechtvaardigen. In deze zaak was er echter geen aanleiding voor een dergelijke termijn omdat de verdachte zijn identiteit verbergt, geen geldige papieren heeft, en kort na vrijlating opnieuw werd aangehouden op verdenking van straatroof. Dit gedrag wekte de indruk dat hij zijn criminele verblijf wilde voortzetten.
De verdediging voerde aan dat het OM als beleid hanteert dat een terme de grâce standaard wordt toegekend, tenzij bijzondere redenen zich daartegen verzetten. De Hoge Raad bevestigde echter dat het beleid juist is dat een dergelijke termijn niet automatisch wordt toegekend en dat het OM ontvankelijk is indien er voldoende aanwijzingen zijn dat de verdachte niet van plan is het land te verlaten. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het OM en verwerpt het cassatieberoep tegen de veroordeling wegens verblijf als ongewenstverklaarde vreemdeling.