ECLI:NL:PHR:2006:AV0413

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01337/05
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij vervolging ongewenstverklaarde vreemdeling zonder terme de grâce

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een verdachte werd veroordeeld wegens het in Nederland verblijven als ongewenstverklaarde vreemdeling in strijd met artikel 197 Sr Pro. Het centrale geschilpunt was de betekenis en toepassing van de zogenaamde "terme de grâce", een termijn die aan een ongewenstverklaarde vreemdeling gegund kan worden om het land te verlaten na ontslag uit detentie.

Het hof oordeelde dat hoewel een ongewenstverklaarde vreemdeling in principe onmiddellijk Nederland moet verlaten, gronden van redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden een termijn kunnen rechtvaardigen. In deze zaak was er echter geen aanleiding voor een dergelijke termijn omdat de verdachte zijn identiteit verbergt, geen geldige papieren heeft, en kort na vrijlating opnieuw werd aangehouden op verdenking van straatroof. Dit gedrag wekte de indruk dat hij zijn criminele verblijf wilde voortzetten.

De verdediging voerde aan dat het OM als beleid hanteert dat een terme de grâce standaard wordt toegekend, tenzij bijzondere redenen zich daartegen verzetten. De Hoge Raad bevestigde echter dat het beleid juist is dat een dergelijke termijn niet automatisch wordt toegekend en dat het OM ontvankelijk is indien er voldoende aanwijzingen zijn dat de verdachte niet van plan is het land te verlaten. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontvankelijkheid van het OM en verwerpt het cassatieberoep tegen de veroordeling wegens verblijf als ongewenstverklaarde vreemdeling.

Conclusie

Griffienr. 01337/05
Mr. Wortel
Zitting:24 januari 2006
Conclusie inzake:
[Verdachte] alias [A]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.
2. Namens verzoeker hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel heeft betrekking op de betekenis van een zogenaamde "terme de grâce" bij de vervolging wegens het in art. 197 Sr Pro strafbaar gestelde misdrijf.
4. In eerste aanleg is beslist dat het Openbaar Ministerie in deze vervolging niet ontvankelijk is, omdat die "terme de grâce" in dit geval niet in acht is genomen.
5. Het Hof oordeelde daaromtrent anders. Het stelde feitelijk vast dat de beschikking tot ongewenstverklaring verzoeker op 18 december 2001 in persoon is uitgereikt; dat verzoeker sindsdien meermalen door de strafrechter is veroordeeld, onder meer wegens overtreding van art. 197 Sr Pro, en dat verzoeker in de onderhavige zaak - twee dagen nadat hij uit een voorafgaande detentie was ontslagen - op 22 december 2003 is aangehouden op verdenking van een straatroof. Ter zake van dat misdrijf is verzoeker niet vervolgd, maar wèl ter zake van overtreding van art. 197 Sr Pro.
6. Vervolgens overwoog het Hof:
"Vooropgesteld dient te worden dat een ongewenstverklaarde vreemdeling in principe onmiddellijk Nederland dient te verlaten. Gronden van redelijkheid en billijkheid kunnen echter onder omstandigheden met zich mee brengen dat aan de vreemdeling na ontslag uit detentie een zogenaamde terme de grâce wordt vergund teneinde zijn vertrek uit Nederland voor te bereiden en te realiseren. Deze gronden van redelijkheid en billijkheid zijn uit hun aard echter niet zodanig algemeen van toepassing dat daaruit een onvoorwaardelijk recht van tijdelijk voortgezet verblijf kan worden afgeleid.
De aan het verweer ten grondslag gelegde redenering dat voornoemde terme de grâce steeds onverkort moet worden gegund vindt geen steun in het recht. Daarnaast is ook op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte hier geen aanleiding voor toepassing van een dergelijke termijn. Verdachte, die niet over geldige identiteitspapieren beschikt, heeft diverse aliassen gebruikt, waardoor het achterhalen van zijn identiteit wordt bemoeilijkt.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen dat verdachte op enige wijze bezig was zijn vertrek uit Nederland te bewerkstellingen.
Verdachte, die op 4 november 2003 was veroordeeld terzake van onder meer artikel 197 Sr Pro, is op 22 december 2003, twee dagen na zijn vrijlating, op aanwijzing van het slachtoffer opnieuw aangehouden, op verdenking van straatroof en daarenboven terzake van het onderhavige feit. Voorts neemt het hof in aanmerking dat verdachte op 28 april 2004 wederom is veroordeeld terzake van artikel 197 Sr Pro en straatroof, gepleegd op 19 januari 2004 en derhalve amper een maand na het onderhavige feit.
Onder deze omstandigheden komt verdachte geen beroep toe op een terme de grâce als hiervoor bedoeld. Daaraan doet, anders dan de verdediging heeft betoogd, niet af dat de verdenking van de straatroof waarvoor hij op 22 december 2003 werd aangehouden niet heeft geleid tot strafvervolging.
Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van artikel 197 Sr Pro.
Het verweer wordt derhalve verworpen."
7. In de toelichting op het middel wordt het Hof allereerst verweten de zaken (op ontoelaatbare wijze) te hebben omgedraaid. Waar het beleid van het Openbaar Ministerie (blijkens de appèlmemorie die de officier van justitie in deze zaak heeft ingediend) tot uitgangspunt neemt dat een ongewenst verklaarde vreemdeling na ontslag uit detentie een "terme de grâce" krijgt tenzij er bijzondere redenen zijn om hem die te onthouden, volgt uit 's Hofs overwegingen, zo wordt betoogd, dat er bijzondere redenen moeten zijn om de ongewenst verklaarde vreemdeling die "terme de grâce" te gunnen.
8. De stelling dat het Openbaar Ministerie, getuige zijn in deze zaak gefourneerde appèlmemorie, tot uitgangspunt neemt dat een "terme de grâce" wordt gegund tenzij er bijzondere redenen zijn om dat niet te doen is onjuist en moet voortkomen uit onzorgvuldige lezing van die appèlmemorie.
Daarin is niet gesteld dat het gunnen van een "terme de grâce" uitgangspunt is. Daarin is gesteld dat bij het gunnen van de "terme de grâce" tot uitgangspunt dient dat voorkomen moet worden dat de politie, wetende dat de betrokkene ongewenst is verklaard, tot aanhouding overgaat zonder die betrokkene een behoorlijke gelegenheid te geven om Nederland te verlaten.
9. Voorts voert de formulering van het Hof tot precies het resultaat dat blijkens de appèlmemorie van de officier van justitie wordt nagestreefd: aan een ongewenst verklaarde vreemdeling wordt, ofschoon hij het in art. 197 Sr Pro strafbaar gestelde misdrijf pleegt vanaf het moment waarop hij van de ongewenstverklaring op de hoogte komt, een termijn (van tien dagen) gegund om op eigen kracht Nederland te verlaten, tenzij de omstandigheden van het geval er op wijzen dat die vreemdeling verzuimt al het mogelijke te doen om Nederland onverwijld te verlaten. Eén van de omstandigheden die op het laatste kunnen wijzen is gedrag waarmee de betrokkene de verdenking op zich laat dat hij een andersoortig strafbaar feit begaat. Daaruit kan immers worden afgeleid (ofschoon er, zoals de officier van justitie memoreert, steeds ruimte is voor interpretatie) dat de betrokkene zijn criminele en illegale verblijf wil continueren. Een verdenking van het begaan van een ander strafbaar feit dan het in art. 197 Sr Pro voorziene kan derhalve een zelfstandige reden zijn om de "terme de grâce" niet toe te passen. De appèlmemorie van de officier van justitie laat er geen enkel misverstand over bestaan dat dit het beleid van het Openbaar Ministerie is.
10. Binnen deze door het Openbaar Ministerie zelf gestelde handhavingsgrenzen had het Hof te onderzoeken of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat verzoekers gedrag op 22 december 2003 voldoende aanwijzing vormde dat hij niet van zins was al het mogelijke te doen om Nederland zo snel mogelijk te verlaten.
11. Niet onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat de officier van justitie aldus heeft kunnen beslissen op grond van de omstandigheid dat verzoeker het achterhalen van zijn ware identiteit bemoeilijkt door niet over geldige identiteitspapieren te beschikken en verschillende aliassen te bezigen (waarmee verzoeker het onmogelijk of minstens moeilijk maakt de vertegenwoordiging van enig land van - vermoedelijke - herkomst ertoe te bewegen verzoeker als onderdaan te erkennen en hem te voorzien van de voor uitreis benodigde documenten) in samenhang met de omstandigheid dat verzoeker werd aangehouden, op aanwijzingen van een aangever, als verdachte van een beroving.
12. Vruchteloos wordt in de toelichting op het middel betoogd dat de hier bestreden overwegingen onbegrijpelijk zijn in het licht van verzoekers ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, voor zover inhoudende dat hij bij zijn vrijlating uit detentie, twee dagen tevoren, van plan was Nederland te verlaten en geprobeerd heeft met de trein naar België te gaan, doch in verband met het ontbreken van reisdocumenten door de grenspolitie was teruggestuurd.
Dit betoog treft geen doel omdat het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat verzoeker zijn ware identiteit verbergt en ontraceerbaar maakt, waarin besloten ligt dat het aan hemzelf te wijten is dat met grensbewaking belaste autoriteiten in omringende landen hem niet laten inreizen, gevoegd bij gedrag waardoor verzoeker op 22 december 2003 de verdenking op zich laadde zijn criminele levenswandel in dit land te willen voortzetten.
13. De hier bestreden overwegingen worden evenmin onbegrijpelijk doordat het Hof mede in aanmerking heeft genomen dat verzoeker nadien nog is veroordeeld voor een op 19 januari 2004 begane straatroof. Deze overweging zal aldus verstaan moeten worden dat het Hof uit deze omstandigheid heeft afgeleid dat het aan de vervolgingsbeslissing ten grondslag liggende vermoeden dat verzoeker in het geheel niet van zins was Nederland onverwijld te verlaten niet alleen op redelijke grond berustte, doch nadien ook juist is gebleken. Bovendien vormen de eerder genoemde feiten een zelfstandige en toereikende basis voor het oordeel dat de officier van justitie heeft kunnen besluiten dat er geen reden was verzoeker een "terme de grâce" te gunnen, zodat de verwijzing naar de latere veroordeling in hoge mate het karakter heeft van een overweging ten overvloede.
14. In de toelichting op het middel is nog een beroep gedaan op een beleid dat de Amsterdamse Rechtbank heeft ontwikkeld. Ook het Hof heeft daarvan melding gemaakt. Het in eerste aanleg gewezen vonnis behelst de opmerking dat de Rechtbank het beleid voert dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard indien blijkt dat een ongewenst verklaarde vreemdeling binnen een termijn van tien dagen na zijn vrijlating opnieuw wordt aangehouden ter zake van art. 197 Sr Pro.
15. Zo dit een juiste weergave is van een door de Amsterdamse Rechtbank ontwikkeld beleid, dan heeft dit college zijn bevoegdheden overschreden. De wet geeft de rechter geen aanknopingspunten om zelfstandig, bij wijze van eigen beleid, vast te stellen onder welke omstandigheden het Openbaar Ministerie tot (verdere) vervolging mag besluiten. In verband met eventueel verval van het vervolgingsrecht kan de feitenrechter slechts nagaan of de vervolging strijdig is met een wettelijke voorwaarde voor vervolging, dan wel een ernstige inbreuk oplevert op die beginselen van een behoorlijke procesorde die naar hun aard als voorwaarde voor (verdere) vervolging zijn te beschouwen. Tot zodanige beginselen behoort het beginsel, als specifiek strafrechtelijke uitwerking van het in het bestuursrecht ontwikkelde vertrouwensbeginsel, dat het Openbaar Ministerie zich bij zijn vervolgingsbeslissingen houdt aan zijn eigen richtlijnen, voor zover die door of met goedvinden van het Openbaar Ministerie zijn gepubliceerd en de stellige verwachting kunnen wekken dat onder bepaalde omstandigheden niet (zonder meer) zal worden vervolgd.
16. Overigens merk ik, met het oog op de toelichting op het middel, op dat het zogenaamde gelijkheidsbeginsel niet bruikbaar is als toets voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat het niet-vervolgen van andere verdachten, wier strafbaar handelen vergelijkbaar is met hetgeen de terechtstaande verdachte wordt verweten of wellicht zelfs ernstiger genomen moet worden, afwijkt van de door het openbaar ministerie bekend gemaakte beleidsregels, kan daarin nog geen inbreuk op het gelijkheidsbeginsel worden gezien die tot consequenties moet voeren, vgl HR NJ 1996, 527, HR NJ 1999, 578 en HR NJ 2002, 318. Een wellicht onverdiend voordeel voor de niet-vervolgde verdachte is nog geen onaanvaardbaar nadeel voor degene die wèl terecht moet staan.
17. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,