ECLI:NL:PHR:2006:AV0653
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Curator kan betaling na faillissementsdatum door bank vorderen ondanks onwetendheid bank
In deze zaak stond centraal of een curator van een gefailleerde rekeninghouder betalingen die een bank na de faillietverklaring aan derden heeft gedaan, kan terugvorderen. De curator was benoemd bij vonnis van 23 december 2003 en het faillissement werd op 30 december 2003 gepubliceerd. In de periode tussen deze data gaf een bestuurder van de gefailleerde betalingsopdrachten aan de bank, die deze ten laste van het creditsaldo uitvoerde.
De rechtbank wees de vordering van de curator af, stellende dat de bank niet op de hoogte was van het faillissement en zich daarop mocht beroepen. De Hoge Raad stelde de vraag centraal in hoeverre derden die niet op de hoogte zijn van een faillissement zich daarop jegens de curator kunnen beroepen, waarbij het beginsel van derdenbescherming en het fixatiebeginsel in het faillissementsrecht aan de orde kwamen.
De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever met art. 52 Faillissementswet Pro een uitzondering heeft gemaakt op de bescherming van derden, waarbij voldoening aan vóór het faillissement ontstane verbintenissen ook na faillissement en zonder kennis van het faillissement de boedel bevrijdt. De betalingsopdrachten in deze zaak waren echter na het faillissement gegeven, waardoor de uitzondering niet van toepassing is. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de curator de vordering kan toewijzen.
De uitspraak benadrukt de keuze van de wetgever om de boedel en haar crediteuren te beschermen boven de belangen van derden die onwetend zijn van het faillissement, en wijst een extensieve uitleg van art. 52 Faillissementswet Pro af om het wettelijke systeem coherent te houden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigde het vonnis en bepaalde dat de curator de terugbetaling van de na faillissement betaalde bedragen kan vorderen.