ECLI:NL:HR:2006:AV0653
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- R. Herrmann
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Curator kan betaling door bank na faillissement vorderen ondanks onbekendheid bank met faillissement
Deze zaak betreft een geschil tussen een curator en een bank over de vraag of de curator betaling kan vorderen van bedragen die de bank na de faillietverklaring aan derden heeft voldaan op basis van betalingsopdrachten van de gefailleerde rekeninghouder.
De rechtbank had dit afgewezen omdat de bank niet op de hoogte was van het faillissement en het moment van kennis bepalend achtte volgens art. 52 Faillissementswet Pro. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de verbintenis tot betaling pas ontstaat op het moment van de betalingsopdracht, die na de faillietverklaring is gegeven. Hierdoor is art. 52 Faillissementswet Pro niet rechtstreeks van toepassing.
De Hoge Raad benadrukt het fixatiebeginsel in het faillissementsrecht, dat de rechtstoestand op de dag van faillietverklaring vastlegt, ook voor onwetende derden. De bescherming van derden te goeder trouw in art. 52 Faillissementswet Pro is een uitzondering die niet extensief moet worden uitgelegd.
De Hoge Raad veroordeelt de bank tot betaling van het gevorderde bedrag aan de curator en in de proceskosten, waarmee de curator in het gelijk wordt gesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad veroordeelt de Rabobank tot betaling van € 9.049,37 aan de curator, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.