ECLI:NL:PHR:2006:AV4976
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling BPM voor werknemer in dienst bij buitenlandse werkgever bij intraconcerndetachering
De zaak betreft een belanghebbende die in Nederland woont en civielrechtelijk in dienst is bij een Nederlandse vennootschap (A1), maar feitelijk werkzaam is als vestigingsmanager bij een in België gevestigde dochtermaatschappij (A2). Voor zijn werkzaamheden kreeg hij in België geregistreerde auto's ter beschikking gesteld. De Inspecteur BPM legde naheffingsaanslagen en boetes op omdat de belanghebbende volgens hem niet in dienst was bij een buitenlandse werkgever zoals vereist voor vrijstelling van BPM.
Het Hof oordeelde dat de vrijstelling ten onrechte was ingetrokken en vernietigde de naheffingsaanslag en boete. De Staatssecretaris kwam in cassatie met twee middelen: dat het begrip 'werknemer' civielrechtelijk moet worden uitgelegd en dat de auto's niet door de buitenlandse werkgever ter beschikking waren gesteld.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip 'werknemer' in art. 2 Uitvoeringsbesluit Pro BPM niet strikt civielrechtelijk moet worden uitgelegd, maar materieel, mede vanwege de ratio van de regeling en het vrije verkeer van werknemers uit art. 39 EG Pro-Verdrag. De formele dienstbetrekking is niet doorslaggevend als de feitelijke arbeidsverhouding en gezagsverhouding met de buitenlandse werkgever aanwezig zijn. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de auto's feitelijk door de buitenlandse werkgever ter beschikking zijn gesteld.
Verder bespreekt de Hoge Raad de relevante jurisprudentie van het HvJ EG over het vrije verkeer van werknemers en de beperkingen die nationale registratie- en belastingregels kunnen opleggen. De BPM-heffing vormt een belemmering van het vrije werknemersverkeer die niet gerechtvaardigd is indien de auto niet hoofdzakelijk in Nederland wordt gebruikt. De Hoge Raad concludeert dat de materiële uitleg van het werknemersbegrip moet prevaleren en bevestigt de vernietiging van de boete.
De conclusie is dat de cassatie van de Staatssecretaris ongegrond wordt verklaard en de vrijstelling BPM voor de belanghebbende terecht is toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling BPM voor de belanghebbende bevestigd.