ECLI:NL:HR:2006:AV4976
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling BPM voor werknemer met buitenlandse werkgever bij gebruik buitenlandse auto
Belanghebbende, woonachtig in Nederland, was vestigingsmanager bij een Nederlandse vennootschap die hem in dienst stelde voor werkzaamheden bij een Belgische dochtermaatschappij. Hij gebruikte een in België geregistreerde leaseauto, die hem ook privé ter beschikking stond. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM op omdat de vrijstelling niet zou gelden.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende als werknemer van een buitenlandse werkgever moest worden beschouwd en vernietigde de aanslag en boete. De Staatssecretaris stelde beroep in cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'werknemer' in artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit BPM in overeenstemming met het EU-recht ruim moet worden uitgelegd, zodat ook werknemers die materieel in dienst zijn van een buitenlandse werkgever onder deze regeling vallen. Hierdoor vormt de BPM-heffing geen belemmering voor het vrije verkeer van werknemers binnen de EU. Het beroep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de Minister van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en boetebeschikking worden vernietigd.