ECLI:NL:PHR:2006:AV8527
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van aanwezigheid verboden stoffen in XTC-pillen
De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken van het ten laste gelegde feit dat hij tussen september 2002 en juni 2003 opzettelijk XTC-pillen met verboden stoffen had verkocht, afgeleverd of vervoerd. Het hof motiveerde de vrijspraak door te stellen dat uit verklaringen van afnemers dat de pillen 'goed' waren, niet zonder meer kan worden afgeleid dat deze pillen de verboden stoffen bevatten zoals MDMA, tenamfetamine, of amfetamine, vermeld op lijst I van de Opiumwet.
Het hof baseerde zich op een NFI-rapport waaruit bleek dat de werking van XTC afhankelijk is van de concentratie MDMA in de pillen, maar vond het onvoldoende duidelijk dat de door verdachte verkochte pillen dezelfde waren als de door het NFI onderzochte exemplaren. Er waren verschillende opdrukken van pillen genoemd en onduidelijkheid over welke pillen verdachte precies had verkocht.
De advocaat-generaal stelde dat het NFI in alle genoemde pillen MDMA had aangetroffen en dat het vrijwel zeker was dat de verdachte verboden stoffen had geleverd. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof zijn vrijspraak voldoende heeft gemotiveerd en dat de motivering niet onbegrijpelijk is, zodat het cassatieberoep wordt verworpen.
De zaak benadrukt dat de feitenrechter de selectie en waardering van bewijs behoudt, ook bij vrijspraak, en dat een nadere motivering vereist is als het hof afwijkt van het standpunt van de advocaat-generaal. De Hoge Raad bevestigt dat het hof in dit geval aan die motiveringsplicht heeft voldaan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dat verdachte verboden stoffen in XTC-pillen heeft geleverd.