ECLI:NL:PHR:2006:AW2522
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende onderzoek aanwezigheidsrecht verdachte in hoger beroep
In deze zaak werd verdachte in eerste aanleg vrijgesproken, waarna het Openbaar Ministerie hoger beroep instelde. Verdachte verscheen niet in eerste aanleg noch in hoger beroep, en het hof veroordeelde hem in hoger beroep tot drie jaar gevangenisstraf voor verkrachting. De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft onderzocht of verdachte daadwerkelijk afstand had gedaan van zijn recht om in hoger beroep aanwezig te zijn, vooral omdat verdachte niet zelf hoger beroep had ingesteld en niet onomstotelijk vaststond dat hij op de hoogte was van de zittingen.
De Hoge Raad benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht zoals verankerd in artikel 6 EVRM Pro en artikel 14 IVBPR Pro, en verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die stelt dat afstand van dit recht uitdrukkelijk of op zijn minst ondubbelzinnig moet zijn. Het hof had volgens de Hoge Raad meer moeten doen, zoals het uitvaardigen van een bevel tot medebrenging of het heropenen van het onderzoek ter terechtzitting, om verdachte alsnog te laten verschijnen.
Daarnaast werd geklaagd over het horen van een getuige die niet op de dagvaarding stond aangekondigd, maar dit middel werd verworpen omdat dit niet tot nietigheid van het onderzoek leidt. Ook werd de motivering van het bevel tot gevangenneming beoordeeld en als niet onbegrijpelijk geoordeeld. Tenslotte werd een schending van de redelijke termijn in cassatie vastgesteld, wat bij de strafoplegging betrokken moet worden.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof, behoudens het bevel tot gevangenneming, en wijst de zaak terug aan het hof Leeuwarden voor een nieuwe berechting met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van het arrest.