ECLI:NL:HR:2004:AO2265
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf wegens poging tot diefstal met geweld en verboden wapenbezit. Het hof had de verdachte vrijgesproken van de hoofdaanklacht maar veroordeeld voor medeplegen van poging tot diefstal en het handelen in strijd met de WWM.
In cassatie werd onder meer betoogd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. De Hoge Raad stelde vast dat het cassatieberoep op 4 oktober 2002 was ingesteld en pas op 19 juni 2003 bij de Hoge Raad was ontvangen, waardoor de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot strafvermindering.
Verder werd geoordeeld dat het bevel tot gevangenneming ex art. 65 lid 2 Sv Pro niet voorafgaand aan een hoorzitting van de verdachte of diens gemachtigde behoeft te worden gegeven. De Hoge Raad verwierp de klachten over het ontbreken van een motivering van het bevel en het niet horen van de verdediging voorafgaand aan het bevel.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en matigde deze tot twee jaar en elf maanden. De rest van het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand. De straf gaat in op de dag van het arrest van de Hoge Raad, met aftrek van de voorlopige hechtenis.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.