ECLI:NL:PHR:2006:AX6411
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling poging tot diefstal ondanks onrechtmatige fouillering
Op 8 januari 2004 werd verdachte samen met een ander verdacht van poging tot diefstal van een portemonnee uit de schoudertas van het slachtoffer in een winkelcentrum te Nijmegen. Het hof verklaarde dit bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, diens dochter, de medeverdachte en de verdachte zelf.
De verdediging voerde aan dat de fouillering van verdachte onrechtmatig was, omdat deze zonder ernstige bezwaren had plaatsgevonden. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat de fouillering gerechtvaardigd was ter voorkoming van het wegmaken van sporen en dat verdachte niet in haar belangen was geschaad doordat de fouillering niet als bewijs was gebruikt.
Verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was om in het bijzonder de motieven voor de strafoplegging te vermelden, en dat de enkele verwijzing naar de ernst van het feit en de eerdere veroordelingen van verdachte voldoende was. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor poging tot diefstal en de opgelegde gevangenisstraf van twee weken.