ECLI:NL:PHR:2006:AX7809
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugvordering bijstand bij verzwijging eigen vermogen en interingsmethodiek
In deze zaak gaat het om de terugvordering van bijstand die aan verweerder is verstrekt terwijl hij beschikte over een vermogen dat hij niet heeft gemeld. De gemeente vorderde terugbetaling van de bijstand over de periode van 1 september 1987 tot 1 september 1992. Verweerder betwistte de terugvordering en stelde dat de interingsmethodiek, waarbij het vermogen wordt verbruikt voordat recht op bijstand ontstaat, toegepast moet worden vanaf de aanvang van de uitkering op 1 februari 1982.
De rechtbank wees de terugvordering toe, maar de Hoge Raad vernietigde dit vonnis en verwees de zaak naar het hof. Het hof stelde dat de interingsmethodiek vanaf 1 februari 1982 toegepast moest worden en wees de terugvordering af. De gemeente stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad bevestigt dat de verplichting tot het verstrekken van juiste informatie over het vermogen gedurende de gehele bijstandsperiode voortduurt. Bij de berekening van de terugvordering moet rekening worden gehouden met het fictief verbruik van het eigen vermogen (intering). De Hoge Raad oordeelt dat de aanvangsdatum van de intering de eerste dag van het verhaalstijdvak moet zijn, hier 12 april 1990, en niet de datum van de uitkeringsaanvang. Ook bevestigt de Hoge Raad dat bij de interingsberekening het normbedrag voor de noodzakelijke kosten van bestaan kan worden gehanteerd. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de gemeente wordt verworpen en de terugvordering wordt berekend met toepassing van de interingsmethodiek vanaf 12 april 1990.