ECLI:NL:CRVB:2004:AR5395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand op grond van artikel 82 Algemene bijstandswet
Appellante ontving een bijstandsuitkering sinds november 1996. Na het overlijden van haar moeder in februari 1998 werd de bijstand voortgezet als lening, met terugvordering zodra het erfdeel beschikbaar kwam. In 2000 werd het erfdeel vastgesteld en een bedrag teruggevorderd. Appellante betwistte de berekening en stelde dat de interingsnorm toegepast moest worden, zoals bedoeld in de Memorie van Toelichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de interingsnorm niet van toepassing is op personen die al een bijstandsuitkering ontvangen en later vermogen verkrijgen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat artikel 82 Abw Pro de juiste grondslag is voor terugvordering in deze situatie, zonder toepassing van de interingsnorm.
De Raad overweegt dat het verschil in situatie tussen direct bijstandsontvangers en degenen die later over vermogen beschikken geen rechtvaardiging biedt voor afwijking van artikel 82 Abw Pro. De wetsgeschiedenis en jurisprudentie ondersteunen deze uitleg. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de interingsnorm niet van toepassing is bij terugvordering van bijstand op grond van artikel 82 Abw en verklaart het hoger beroep ongegrond.