1 Zie het arrest van het hof Den Bosch van 3 mei 2005 onder 4.2 (a) t/m (r). Voor een volledig beeld schets ik de feiten alsmede het procesverloop in eerste aanleg en in hoger beroep, hoewel in cassatie uitsluitend een gevolg van het door MSM gelegde conservatoir beslag aan de orde is.
2 Vermelding van de subsidiaire vordering laat ik achterwege.
3 De cassatiedagvaarding is op 18 juli 2005 uitgebracht.
4 Zie de memorie van grieven, tevens vermeerdering van eis, p. 20, tweede alinea.
5 Luidend aldus: "veroordeelt MSM de daardoor geleden schade aan [verweerder 2] te vergoeden, (...)".
6 Zie ook Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 43.
7 Volgens de Hoge Raad konden de twee eisers tot cassatie het hof alsnog verzoeken een beslissing te geven omtrent het door hen in die zaak ingestelde hoger beroep.
8 Hugenholtz/Heemskerk, 2006, nr. 172; Spoelder, De schadestaatprocedure, 1966, nr. 11; HR 21 december 1984, NJ 1985, 904 m.nt. MS; HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321. Zie ook Snijders in zijn noot onder HR 11 januari 2002, NJ 2003, 256 onder 3d.
9 Zie bijv. HR 30 mei 1997, NJ 1998, 381.
10 Zie A-G Asser vóór HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321 onder 2.18-2.19 en Snijders onder HR 30 mei 1997, NJ 1998, 381 onder 5. Zie ook Spoelder, a.w., nr. 5 en HR 27 november 1998, NJ 1999, 685.
11 HR 17 januari 1997, NJ 1997, 230; HR 11 januari 2002, NJ 2003, 256 m.nt. HJS; HR 8 april 2005, NJ 2005, 371, rov. 3.4. Zie ook Spoelder, a.w., nr. 13.
12 Hugenholtz/Heemskerk, a.w., nr. 172. Zie voor een historisch overzicht van de rechtspraak van de Hoge Raad sinds 1838 de noot van Heemskerk onder HR 13 juni 1980, NJ 1981, 185 en voor latere vaste rechtspraak: HR 21 december 1984, NJ 1985, 904 m.nt. MS; HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321; HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 235; HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 241 m.nt. PAS; HR 8 april 2005, NJ 2005, 371; HR 30 juni 2006, JOL 2006, 431.
13 HR 13 juni 1980, NJ 1981, 185 m.nt. WHH.
14 Heemskerk onder HR 13 juni 1980, NJ 1981, 185.
15 Het vernieuwde burgerlijk procesrecht, dat in het algemeen een vlot verloop van de procedure beoogt en wenst te bevorderen dat het geschil in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure "uit de verf komt" (Kamerstukken II, vergaderjaar 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 7 en 53), heeft volgens mij in deze heersende leer geen verandering gebracht.
16 J. Spoelder, a.w., nr. 3-4; Burgerlijke Rechtsvordering, Van Mierlo, art. 612, aant. 3 en 5; Hugenholtz/Heemskerk, a.w., nr. 173.
17 Spoelder, a.w., nr. 2 en 4-5; Hugenholtz/Heemskerk, a.w., nr. 173; HR 4 mei 1923, NJ 1923, p. 839; HR 29 oktober 1926, NJ 1926, p. 1379 m.nt. EMM.
18 Hugenholtz/Heemskerk, a.w., nr. 173.
19 Zie Spoelder, a.w., nr. 4.
20 Zie het arrest van het hof onder 2.
21 HR 15 april 1965, NJ 1965, 331 m.nt DJV; HR 21 februari 1992, NJ 1992, 321; HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB; HR 11 april 2003, NJ 2003, 440; HR 5 december 2003, NJ 2004, 150.
22 Zie p. 7 en noot 3 in de cassatiedagvaarding.
23 HR 27 november 1998, NJ 1999, 685.
24 Zie o.m. HR 15 september 1995, NJ 1996, 20; HR 23 oktober 1998, NJ 1999, 114; HR 6 oktober 2000, NJ 2001, 186; HR 31 oktober 2003, NJ 2004, 520.
25 Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 24, aant. 1 en 2. Zie ook T.F.E. Tjong Tjin Tai, De rechterlijke vrijheid en de feitelijke grondslag, TCR 2002, p. 29-37; C.E. Smith, Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, 2004, p. 21 e.v.
26 Smith, a.w., p. 38 met verwijzing naar HR 28 maart 1947, NJ 1947, 395 m.nt EMM en HR 20 juni 1952, NJ 1953, 77.
27 Zie o.m. HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 92; HR 24 juni 2005, NJ 2006, 46; HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158; HR 7 april 2006, JOL 2006, 218. Zie ook HR 28 april 2006, JOL 2006, 278, rov. 3.4.
28 HR 14 december 2001, NJ 2002, 45; J.W.M. Tromp, Bankgarantie en contragarantie, NJB 1993, p. 340; E.L.A. van Emden, Bankgarantie, 2005, p. 16.