ECLI:NL:PHR:2006:AZ0649
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens wederrechtelijke toeëigening na nietigverklaring geregistreerd partnerschap
De zaak betreft een verdachte die samen met een mededader geld heeft opgenomen van bankrekeningen van een hoogbejaarde vrouw die leed aan dementie van het Alzheimer type. De mededader, die als huishoudelijke hulp bij het slachtoffer werkte, was formeel geregistreerd als partner van het slachtoffer, maar dit partnerschap is later vernietigd wegens een gebrek aan wil bij het slachtoffer.
De verdachte en mededader hebben in de periode van juli 2001 tot juni 2002 aanzienlijke bedragen opgenomen en besteed, onder meer in casino's en aan luxe goederen. Het hof stelde vast dat het slachtoffer niet meer in staat was haar wil te bepalen en dat verdachte zich bewust moest zijn van het nietige karakter van het partnerschap. De verdachte gebruikte een bankpas met een valse sleutel en pincode om geld op te nemen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat stelde dat de verdachte formeel rechtmatig had gehandeld omdat het partnerschap formeel bestond. De vernietiging van het partnerschap werkt terug tot het moment van registratie, waardoor er juridisch nooit een geldig partnerschap is geweest. Het hof mocht daarom het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening aannemen en de veroordeling handhaven.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte wegens wederrechtelijke toeëigening na nietigverklaring van het geregistreerd partnerschap.