ECLI:NL:PHR:2007:AU3997
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over fiscale afschrijving op vastgoed en bepaling restwaarde in privésfeer
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een belanghebbende die participaties houdt in diverse vastgoedmaatschappen met commercieel vastgoed. Het geschil draait om de fiscale afschrijving op deze vastgoedobjecten, met name de bepaling van de restwaarde, de wijze van afschrijving (lineair versus progressief), en de vraag of bij de restwaarde rekening moet worden gehouden met toekomstige waardestijgingen van de grond.
Het Hof had geoordeeld dat de afschrijving per afzonderlijke onroerende zaak moet worden bepaald, waarbij de grondwaarde uit de historische kostprijs wordt geëlimineerd omdat grond niet slijt. De restwaarde moet worden gesteld op het deel van de historische kostprijs dat aan het einde van de gebruiksduur nog in de opstal aanwezig is, zonder inflatoire elementen of toekomstige waardestijgingen mee te nemen. Lineaire afschrijving is de norm, tenzij een onmiskenbaar onevenredig verloop van het gebruiksnut wordt aangetoond.
De Staatssecretaris stelde meerdere middelen voor cassatie, waaronder dat het Hof ten onrechte was uitgegaan van de objectieve levensduur in plaats van de subjectieve bezitsduur, dat waardestijging van de grond buiten beschouwing werd gelaten, en dat progressieve afschrijving gerechtvaardigd kan zijn bij stijgende nettorendementen. De belanghebbende voerde aan dat het Hof onjuist was in de vaststelling van de gebruiksduur en restwaarde.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de bestaande jurisprudentie uit de jaren 50 en 60 nog steeds adequaat is, dat afschrijving gebaseerd moet zijn op het matchingbeginsel, en dat correctie van de restwaarde op grond van waardestijging van de grond alleen aan de orde is indien aan strikte voorwaarden wordt voldaan. Tevens wordt bevestigd dat grond en opstal als één bedrijfsmiddel worden beschouwd, waarbij grond niet afgeschreven wordt. De zaak belicht ook de complexiteit van fiscale afschrijving en de noodzaak van eenduidige richtlijnen voor de praktijk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat fiscale afschrijving op vastgoed lineair en op basis van objectieve levensduur moet plaatsvinden zonder inflatoire correcties van de restwaarde.