ECLI:NL:PHR:2007:AV0432
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geldigheid en gevolgen van fiscale vaststellingsovereenkomst bij uitstel pensioeningangsdatum
Belanghebbende sloot met de Inspecteur een vaststellingsovereenkomst over het uitstel van de pensioeningangsdatum van 1 december 1996 naar 1 december 2001. De Inspecteur stelde later dat dit uitstel leidde tot heffing van loonbelasting en inkomstenbelasting. Na het arrest van de Hoge Raad over een vergelijkbare zaak, stelde belanghebbende dat de overeenkomst op dwaling berustte en dat de Inspecteur zich niet op de overeenkomst mocht beroepen.
De Hoge Raad benadrukte het hybride karakter van fiscale vaststellingsovereenkomsten, die zowel civiel- als bestuursrechtelijke aspecten bevatten. De overeenkomst moet gebaseerd zijn op een subjectieve onzekerheid tussen partijen. Een beroep op dwaling is alleen mogelijk als sprake is van een onjuiste gemeenschappelijke veronderstelling die de eigenlijke grond voor het sluiten van de overeenkomst vormt.
De Hoge Raad oordeelde dat in deze zaak geen sprake was van wederzijdse dwaling, omdat partijen een geschil hadden over de fiscale gevolgen van het uitstel. De Inspecteur was niet tekortgeschoten in zijn informatieplicht, aangezien belanghebbende ook onderzoek had kunnen doen naar het arrest. De afspraak in de vaststellingsovereenkomst die afweek van de 68%-regeling van de Wet VB 1964 was contra legem en niet bindend, zodat belanghebbende aanspraak kon maken op de wettelijke faciliteit.
De Hoge Raad verwees de zaak terug voor nader onderzoek naar de vraag of de nietige bepaling partieel vernietigd kan worden zonder de gehele overeenkomst aan te tasten. Ook werd overwogen dat de redelijkheid en billijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen een beperking van de nakoming van de overeenkomst rechtvaardigen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de partiële nietigheid van de vaststellingsovereenkomst en bevestigt dat afspraken contra legem niet bindend zijn.