ECLI:NL:PHR:2007:AX0790
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over Amsterdams verrekenbeding en vermogensbelasting bij echtscheiding
Belanghebbende en A waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams verrekenbeding inclusief vervalbeding. Tijdens het huwelijk werd geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding. Na duurzame scheiding vorderde belanghebbende verrekening van onverdeelde inkomsten uit het huwelijk, welke door het Hof werd toegewezen en gewaardeerd op ƒ 10.000.000.
De Hoge Raad bevestigt dat het vorderingsrecht uit het verrekenbeding ook tijdens het huwelijk ontstaat, ondanks het vervalbeding, dat pas na echtscheiding op redelijkheid en billijkheid wordt getoetst. Dit vorderingsrecht kwalificeert als bezitting voor de vermogensbelasting, ook als het betwist wordt.
De waardering van het vorderingsrecht is een feitelijke kwestie waarbij rekening wordt gehouden met onzekerheden zoals het risico van beroep op het vervalbeding. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof de waardering voldoende heeft gemotiveerd, mede gelet op de uiteindelijke overeenstemming tussen partijen.
De zaak behandelt ook de fiscale kwalificatie van vorderingen, de invloed van het huwelijksgoederenregime op vermogensbelasting en de overgang van vermogensbelasting naar box III in de inkomstenbelasting. De beroepen in cassatie worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt dat het vorderingsrecht uit het Amsterdams verrekenbeding als bezitting voor de vermogensbelasting geldt.