Uitspraak
Artikel 1
28 maart 1997.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn in 1969 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen. Na hun echtscheiding in 1987 ontstond een langdurig geschil over de vermogensrechtelijke afwikkeling, waarbij diverse vorderingen werden ingesteld en meerdere vonnissen en arresten volgden.
Het hof had in 1995 uitspraak gedaan over negentien geschilpunten, waarbij het onder meer oordeelde dat vermogensvermeerdering door besparingen en beleggingen, zoals de echtelijke woning en levensverzekeringen, in de verrekening moesten worden betrokken. Het hof zag pensioenrechten echter als niet te verrekenen.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het pensioenrechten als niet verrekenbaar aanmerkte, verwijst naar eerdere jurisprudentie en benadrukt dat de uitleg van het verrekenbeding naar redelijkheid en billijkheid moet plaatsvinden. Verder bevestigt de Hoge Raad dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven omtrent de verrekening van besparingen en beleggingen, en dat de verrekening ook betrekking heeft op privévermogen en niet alleen op arbeidsinkomen.
De Hoge Raad wijst partijen aan om de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding te regelen met inachtneming van dit arrest, waarbij pensioenrechten buiten de verrekening blijven.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest voor zover pensioenrechten tot verrekening worden gerekend en bevestigt uitleg verrekenbeding naar redelijkheid en billijkheid.