ECLI:NL:PHR:2007:AX0794
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vorderingsrecht uit Amsterdams verrekenbeding bij vermogensbelasting na echtscheiding
Belanghebbende en haar echtgenoot A waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams verrekenbeding, dat voorziet in verdeling van onverteerde inkomsten na elk kalenderjaar, gekoppeld aan een vervalbeding. Tijdens het huwelijk werd geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding. Na duurzame scheiding en ontbinding van het huwelijk vorderde belanghebbende een bedrag van A op grond van het verrekenbeding.
Het Hof stelde vast dat het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was en dat belanghebbende op de peildata 1 januari 1999 en 2000 een vorderingsrecht had van circa ƒ 10.000.000. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op, die belanghebbende betwistte. In cassatie werd onder meer betoogd dat het vorderingsrecht pas na inschrijving van de echtscheiding ontstond en dat het vervalbeding tijdens het huwelijk niet onaanvaardbaar was.
De Hoge Raad oordeelde dat het vorderingsrecht al tijdens het huwelijk ontstond, ook al kon nakoming pas bij het einde van het huwelijk worden gevorderd. Het vervalbeding kan het bestaan van het vorderingsrecht niet uitsluiten zolang het niet met zekerheid slaagt. Daarnaast kwalificeert het vorderingsrecht als bezitting voor de vermogensbelasting, ongeacht betwisting of opeisbaarheid.
De waardering van het vorderingsrecht is een feitelijke kwestie waarbij rekening moet worden gehouden met onzekerheden zoals het slagen van het vervalbeding en de waarde van de overgespaarde inkomsten. Het Hof heeft deze factoren voldoende betrokken en het oordeel is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De beroepen in cassatie worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen in cassatie worden ongegrond verklaard en het vorderingsrecht uit het Amsterdams verrekenbeding wordt als bezitting voor de vermogensbelasting erkend.