ECLI:NL:PHR:2007:AY3636
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing fictieve vaste inrichting bij grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van personeel binnen concernverband
Belanghebbende, een Portugese vennootschap binnen een internationale groep, stelde personeel tijdelijk tewerk bij haar Nederlandse zustervennootschappen. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op, omdat belanghebbende als inhoudingsplichtige werd aangemerkt op grond van artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964 (de fictieve vaste inrichting-regeling).
Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat belanghebbende werkzaamheden verrichtte die gericht waren op het verlenen van tussenkomst, ook al was het personeel gedetacheerd binnen concernverband. Belanghebbende stelde dat de regeling niet van toepassing was op groepsdetacheringssituaties en dat de wetsbepaling uitsluitend bedoeld was voor buitenlandse uitzendbureaus en misbruiksituaties.
De Hoge Raad bevestigde dat de tekst en parlementaire geschiedenis van artikel 6, derde lid, onderdeel b, Wet LB 1964 geen beperking van de doelgroep bevatten tot uitsluitend malafide uitzendbureaus of derden buiten concernverband. Vennootschappen binnen een concern worden fiscaal als zelfstandige entiteiten beschouwd en kunnen als 'derden' worden aangemerkt. De regeling is bedoeld om heffingsproblemen bij grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van arbeidskrachten te voorkomen, ook in bonafide situaties. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de fictieve vaste inrichting-regeling is ook van toepassing op detachering binnen concernverband.