ECLI:NL:PHR:2007:AY8543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over nova en bewijsvoering in fiscale procedure inzake aftrek buitengewone lasten
Belanghebbende had in zijn aangifte inkomstenbelasting 1999 diverse kosten als buitengewone lasten opgevoerd, waaronder maaltijdvoorzieningen, zwemmen, yort-gymnastiek en vervoerskosten. De Inspecteur corrigeerde deze aftrekposten en verleende slechts gedeeltelijk aftrek. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de pleitnota van de Inspecteur ter zitting als tardief en buiten behandeling stelde, waardoor de inspecteur het beroep niet had weersproken en het Hof het beroep gegrond verklaarde.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen dit oordeel, met als kernpunt dat het Hof ten onrechte de pleitnota van de inspecteur buiten beschouwing had gelaten. De Hoge Raad overweegt uitgebreid over het begrip nova (nieuwe feiten of grieven die tijdens de mondelinge behandeling worden ingebracht) en de verplichting van de rechter om te toetsen of de wederpartij daardoor in haar procespositie wordt benadeeld. Indien dat het geval is, moet de rechter de nieuwe stelling buiten beschouwing laten of de behandeling schorsen om wederhoor mogelijk te maken.
De Hoge Raad benadrukt dat nieuwe juridische stellingen in elke fase van het geding kunnen worden ingebracht, terwijl nieuwe feitelijke stellingen ter ondersteuning van bestaande geschilpunten altijd moeten worden meegenomen, tenzij sprake is van ernstige benadeling en de stelling eerder had kunnen worden ingebracht. In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat de inspecteur geen nieuwe geschilpunten of nieuwe feitelijke stellingen heeft ingebracht die de verdediging van belanghebbende ernstig belemmeren, zodat de pleitnota niet buiten behandeling had mogen blijven.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Deze uitspraak bevat tevens een uitgebreide beschouwing over de beginselen van hoor en wederhoor, proceseconomie en de afweging tussen materiële waarheidsvinding en een doelmatige procesgang in het fiscale bestuursprocesrecht.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.