ECLI:NL:PHR:2007:AZ0369
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strikte criteria voor heffing baatbelasting bij herinrichting binnenstad Breda
De zaak betreft de heffing van baatbelasting door de gemeente Breda in verband met de herinrichting van het historische stadshart tussen 1994 en 1996. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de aanslag baatbelasting, maar het hof oordeelde dat de herinrichting niet leidde tot een wezenlijke verandering van het geheel van voorzieningen in het gebied. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat alleen bij een wezenlijke verandering naar inrichting, aard of omvang sprake is van een voorziening die via baatbelasting kan worden verhaald.
De Hoge Raad verduidelijkt dat vervanging of verbetering van voorzieningen slechts als een voorziening geldt indien het resultaat een wezenlijke verbetering is ten opzichte van de oorspronkelijke of laatste herinrichtingstoestand. Onderhoud, ook achterstallig onderhoud, valt niet onder voorzieningen en mag niet via baatbelasting worden verhaald. Bij gemengde kosten dient een splitsing te worden gemaakt tussen onderhoud en verbetering.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat de beoordeling van baat van feitelijke aard is en dat het hof het toetsingskader van het verwijzingsarrest niet heeft miskend. De kosten van de herinrichting, ook als die hoger zijn dan vervanging door gelijkwaardige voorzieningen, leiden niet automatisch tot een verbetering. De heffing moet binnen twee jaar na voltooiing van de voorzieningen worden vastgesteld. Tenslotte geeft de conclusie een uitgebreid overzicht van de wettelijke en jurisprudentiële achtergrond van de baatbelasting, de begrippen 'voorziening' en 'baat', en de voorwaarden waaronder baatbelasting geheven kan worden.
Uitkomst: Het beroep van de gemeente tegen het oordeel dat de herinrichting geen voorziening vormt voor baatbelasting is ongegrond verklaard.