ECLI:NL:PHR:2007:AZ1113
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van voorwaarden bij voorwaardelijke rechterlijke machtiging onder Wet Bopz
In deze zaak staat de vraag centraal of de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz toelaatbaar zijn. Betrokkene had bezwaar tegen de voorwaarde dat hij zich moest houden aan alle afspraken met het casemanagementteam, omdat deze te algemeen was en niet duidelijk maakte dat het gedrag het gevaar voortvloeiend uit zijn geestesstoornis beïnvloedt.
De rechtbank had ook bepaald dat betrokkene de voorgeschreven depotmedicatie moest accepteren, zonder nadere specificatie van de modaliteit. De Hoge Raad overweegt dat de rechterlijke voorwaarden het gedrag van betrokkene moeten betreffen en voldoende specifiek moeten zijn om naleving te kunnen toetsen. Een algemene verwijzing naar alle afspraken met het casemanagementteam is te ruim en onduidelijk.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank. De voorwaarde omtrent het accepteren van depotmedicatie wordt als toelaatbaar beoordeeld, mits betrokkene hiermee instemt en de voorwaarden voldoende duidelijk zijn. De zaak benadrukt het belang van duidelijke, toetsbare voorwaarden bij voorwaardelijke machtigingen onder de Wet Bopz.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens te ruime formulering van een bijzondere voorwaarde en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.