ECLI:NL:PHR:2007:AZ2895
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van vervaltermijn CAO bij schadevergoeding na ontslag op staande voet wegens onder invloed veroorzaken schade aan leaseauto
In deze zaak staat centraal de uitleg van artikel 25 lid 2 van Pro de toepasselijke CAO, waarin is bepaald dat de werkgever binnen één maand na constatering van verlies of beschadiging schriftelijk zijn voornemen tot verhaal van schade aan de werknemer moet kenbaar maken. De werknemer was onder invloed van alcohol betrokken bij een verkeersongeval waarbij de leaseauto total loss raakte. De schade viel niet onder de WA-cascoverzekering vanwege het alcoholgebruik.
De werkgever stelde de werknemer aansprakelijk voor de schade, maar het geschil ontstond over het tijdstip waarop de vervaltermijn van één maand begon te lopen. De werknemer stelde dat dit moment lag bij de feitelijke beschadiging van de auto of het moment dat de werkgever op de hoogte was van het alcoholgebruik, terwijl de werkgever en het hof stelden dat dit moment pas aanbrak toen de verzekeraar aangaf geen dekking te verlenen.
De Hoge Raad oordeelt dat de vervaltermijn niet ingaat bij het fysieke moment van schade, maar pas wanneer de werkgever voldoende aanwijzingen heeft dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit voorkomt dat werkgevers te vroeg een verdenking moeten uiten zonder voldoende grond, wat de arbeidsverhouding schaadt. De werkgever moet binnen een maand na het constateren van zulke aanwijzingen zijn voornemen tot verhaal schriftelijk kenbaar maken. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De vervaltermijn van één maand in art. 25 lid 2 CAO begint te lopen bij voldoende aanwijzingen van opzet of bewuste roekeloosheid, niet bij het fysieke moment van schade.