1. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-7 (als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627), d.d. 6 februari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.S. Campo, inspecteur van politie en tevens hulpofficier van justitie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 6 februari 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik heb inderdaad vanmiddag brand gesticht in een woning. Ik deed dat met kranten.
2. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-2 (als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627), d.d. 6 februari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar F.E.F. Steegman, brigadier van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als relaas van deze opsporingsambtenaar:
Op 6 februari 2003, omstreeks 15:30 uur, was ik werkzaam in het politiebureau gevestigd op de Charloisse Kerksingel 2 te Rotterdam. Ik wist dat er collega's bij een melding van een brand in een woning bezig waren op het adres [a-straat 1] te Rotterdam.
Ik zag dat er een man aan het genoemde politiebureau verscheen. De man verklaarde direct, dat hij zijn woning in brand had gestoken. De man verklaarde, dat hij zijn woning op de [a-straat 1] te Rotterdam in brand had gestoken. Tevens verklaarde de man dat hij ziek was en dat ook het Riagg moest worden ingelicht. Hierop heb ik de man als verdachte aangehouden.
Naam: [aanvrager]
Voornamen: [...]
Geboren: te [geboorteplaats] op [geboortedatum ]1966.
3. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-14 (als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627 A), d.d. 3 maart 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar E. van der Drift, hoofdagent van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 6 februari 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar (telefonisch) afgelegde verklaring van [getuige 4]:
Ik ben als bevelvoerder werkzaam bij de Regionale Brandweer Rotterdam-Rijnmond. Vandaag, op 6 februari 2003 omstreeks 14.56 uur was er een uitruk naar de [a-straat 1] waar een woningbrand zou zijn. Ter plaatse gekomen zag ik dat er in genoemd pand brand was die gepaard ging met een flinke rookontwikkeling. Voornoemde woning is gelegen op de begane grond. Ik zag dat de panden naast en boven pand [1] aan de [a-straat] bewoond waren. Ik zag dat zich in het pand gelegen direct boven pand [1] nog personen bevonden. Hierop heb ik de brand in verband met het directe gevaar voor personen en goederen opgeschaald tot middelalarm. Hierop heeft de brandweer de voordeur van pand [1] geforceerd. Dit ging erg moeilijk omdat de voordeur van het pand met meerdere pensloten op slot zat.
Ook heeft de brandweer de achterdeur van de woning geforceerd. De achterdeur was ook op slot gedraaid. Bij bluswerkzaamheden bleek dat zich in het pand drie brandhaarden bevonden. Twee brandhaarden in de woonkamer aan de zijde van de [a-straat] en een brandhaard in een kamer aan de achterzijde van de woning.
De branden woedden op de houten vloeren en tegen de muren van de ruimtes.
In verband met de drie brandhaarden rees bij mij het vermoeden dat er sprake was van brandstichting.
4. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-10 (als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627 A), d.d. 10 februari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar P. de Wit, Sr. Forensisch Technisch Onderzoeker, politie regio Rotterdam - Rijnmond, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Betreffende: ingestelde technische onderzoeken in verband met een brand op 6 februari 2003 in en rond de woning zijnde perceel de [a-straat 1] te Rotterdam.
Bevindingen:
De woning maakte deel uit van een aangesloten bebouwing en was gelegen op de begane grond. Er werden meerdere brandhaarden in de woning aangetroffen. De brand had gewoed in de woonkamer aan de voorzijde van de woning en in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning. Door de brand was er schade aan vloeren, muren en plafond ontstaan. Door de brand was gerneen gevaar voor goederen ontstaan.
Conclusies:
Op grond van de ingestelde onderzoeken dat de brand is ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur. Een technische oorzaak was niet aanwezig en kan worden uitgesloten.
5. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-12 (als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627 A), d.d. 10 februari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar E. van der Drift, hoofdagent van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 6 februari 2003 tegenover deze opsporingsambtenaar (telefonisch) afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Een week of twee geleden vertelde [aanvrager] (het hof begrijpt: de verdachte) mij dat hij zijn huis in brand zou steken. Om deze uitlating heb ik het Riagg gebeld. Personeel van het Riagg deelde mij mee dat [aanvrager] daar bekend was.
6. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-4 (als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627), d.d. 6 februari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar F.J.J. de Vries, hoofdagent van politie, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
Op 6 februari 2003, omstreeks 15:05 uur, kregen wij van de politiemeldkamer Rotterdam-Rijnmond de opdracht te gaan naar de [a-straat 1], alwaar een brand in de woning zou zijn.
Ter plaatse aangekomen zagen wij dat de deur van het betreffende pand open was, uit de ramen naast de deur kwam tevens zwarte rook. Wij zagen dat de brandweer reeds aan het blussen was.
Ter plaatse werden wij, verbalisanten, aangesproken door een man die daarnaar gevraagd opgaf te zijn [getuige 1], wonende [a-straat 2] te Rotterdam.
Hij verklaarde ons: "Ik woon samen met mijn vrouw en kind boven het pand dat zojuist in de brand heeft gestaan. Tijdens de brand waren wij in de woning, deze moesten wij verlaten, omdat wij in de woning last kregen van rook.". Bewoners van de panden boven het betreffende pand hadden allen last van rook in de woning.
7. Het proces-verbaal van de politie Rotterdam - Rijnmond, nr. 2003046627-6 (als bijiage gevoegd bij proces-verbaal nr. 2003046627), d.d. 6 februari 2003, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar C. Nijhuis, hoofdagent van politie, en een andere bevoegde opsporingsambtenaar. Dit procesverbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als relaas van deze opsporingsambtenaren:
op 6 februari 2003 kregen wij, verbalisanten, het verzoek van het geuniformeerde personeel van de politie Rotterdam-Rijnmond, om te gaan naar [a-straat 1] te Rotterdam.
Bij aankomst zagen wij dat het pand [1] een benedenwoning was. Wij zagen dat deze woning lag tussen diverse portiekwoningen en bovenwoningen. Wij zagen dat, wanneer de brand had doorgezet, de omliggende woningen zeker in gevaar waren gekomen. Wij zagen dat de voordeur van de woning openstond. Wij zagen dat er meerdere afdrukken van vermoedelijk een ram in de voordeur zaten en het kozijn van de deur op de plaatsen van de sloten, geheel versplinterd was. De brandweer verklaarde ons later telefonisch dat zij de voordeur hadden open geramd. Tevens verklaarden zij daar veel moeite mee te hebben gehad omdat de deur op meerdere punten in het slot was gedraaid en tevens was voorzien van een zogenaamde secustrip waardoor het gebruik van een breekijzer niet mogelijk was.
Bij het binnengaan van de woning zagen wij dat er op de grond twee aanstekers lagen.
Bij onderzoek in de woning zagen wij dat er in de eerste slaapkamer een plek was, die heel sterk was aangetast door vermoedelijk vuur. Wij zagen dat er onder deze plek op de grond een hoeveelheid verbrand en verkoold onherkenbaar materiaal lag.
Wij, verbalisanten, zijn naar de woonkarner gegaan. Daar zagen wij, verbalisanten, links tegen de muur een plek die heel sterk was aangetast door vuur. Teven zagen wij in de linker hoek van de woonkamer een plek die sterk was aangetast door vuur. Wij zagen dat er bij deze inbranding een hoeveelheid gedeeltelijk verbrande papieren lagen.
8. Het proces-verbaal van de rechter-cornmissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Rotterdam van 26 mei 2003. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
als de op 26 mei 2003 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van F.E.F. Steegman voornoemd:
Ik was op 6 februari 2003 werkzaam op het politiebureau op de Charloise Kerksingel 2 te Rotterdam. Ik wist dat er een middelbrand gaande was op de [a-straat 1]. Een man verscheen aan het bureau die mij het volgende vertelde: ik heb mijn huis of mijn woning in brand gestoken. De man sprak goed Nederlands.