ECLI:NL:PHR:2007:AZ5449
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap bij naturalisatie met onjuiste persoonsgegevens vóór 2003
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoeker had in 1999 onder onjuiste persoonsgegevens naturalisatie aangevraagd en verkregen. In 2004 gaf hij bij een onderzoek naar uitkeringsfraude andere persoonsgegevens op dan in het naturalisatiebesluit stonden vermeld.
De rechtbank wees het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af, omdat niet kon worden vastgesteld dat verzoeker degene was aan wie het Koninklijk Besluit van 2 maart 1999 was verleend. De rechtbank oordeelde dat de valse persoonsgegevens in het naturalisatiebesluit geen rechtsgevolg hadden, mede omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld die de identiteit voldoende zouden bevestigen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bepaald dat een naturalisatiebesluit met valse of fictieve persoonsgegevens geen rechtsgevolg heeft, tenzij de identiteit van de aanvrager ondanks de onjuistheden voldoende duidelijk was voor de beoordelende instanties. In deze zaak ontbraken dergelijke bijzondere omstandigheden, waardoor het beroep van verzoeker werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat het naturalisatiebesluit met valse persoonsgegevens geen rechtsgevolg heeft.