ECLI:NL:PHR:2007:AZ5500
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid trachten te bewegen bij voorbereidingshandeling op drugssmokkel
In deze zaak gaat het om de uitleg en toepassing van artikel 11a van de Opiumlandsverordening 1960, dat strafbaar stelt het trachten te bewegen van een ander tot het plegen van een strafbaar feit, hier de uitvoer en het vervoer van cocaïne. De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens medeplegen en trachten te bewegen tot behulpzaamheid bij drugssmokkel.
De verdediging stelde in cassatie onder meer dat voor bewezenverklaring van trachten te bewegen vereist zou zijn dat de persoon die werd bewogen niet vooraf al de gedachte aan het misdrijf had, wat de Hoge Raad onjuist acht. Ook werd aangevoerd dat de verklaringen van een politieambtenaar, die de enige directe bewijsmiddelen zouden zijn, niet gebruikt mochten worden omdat deze bij nader verhoor waren ingetrokken. De Hoge Raad oordeelde dat er meerdere bewijsmiddelen waren, waaronder verklaringen van een medeverdachte, die de betrokkenheid van de verdachte bevestigen.
De Hoge Raad verduidelijkt dat het begrip 'trachten te bewegen' inhoudt dat de dader rechtstreeks invloed uitoefent op een ander om het beoogde misdrijf te plegen, ongeacht of die ander al een geneigdheid of bereidheid had. De cassatiemiddelen worden verworpen en de strafrechtelijke kwalificatie wordt ambtshalve verbeterd tot medeplegen met trachten te bewegen tot behulpzaamheid bij het voorbereiden of bevorderen van een strafbaar feit. De veroordeling blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot zes jaar gevangenisstraf wegens medeplegen en trachten te bewegen tot behulpzaamheid bij drugssmokkel.