ECLI:NL:PHR:2007:AZ6165
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid benadeelde partij bij vordering erfgenaam en bewindvoerder na overlijden slachtoffer
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verzoeker wegens verduistering werd veroordeeld tot een taakstraf en tevens werd veroordeeld tot betaling aan de benadeelde partij. De benadeelde partij trad op als erfgenaam en bewindvoerder van het slachtoffer, dat inmiddels was overleden.
De Hoge Raad stelt vast dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid voor erfgenamen zich als benadeelde partij te voegen voor de door het slachtoffer geleden schade, behalve in het geval van artikel 51a, tweede lid, Sv. Daarnaast eindigt het bewind ex artikel 1:449, eerste lid, BW door het overlijden van de rechthebbende, waardoor de bewindvoerder niet-ontvankelijk is in de vordering.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden en dat de vordering onvoldoende is gespecificeerd. De vordering wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard en het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep wordt voor het overige verworpen.