ECLI:NL:PHR:2007:AZ6660

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00635/06 E
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 7 Wet bodembescherming
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernieling en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn

De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder vernieling van een deurklink en een ruit in een politiebureau. De bewezenverklaring vermeldde vernieling van beide voorwerpen, maar de bewijsmiddelen ondersteunden alleen de vernieling van de deurklink. De Hoge Raad stelde vast dat de toevoeging "en een ruit in" kennelijk een misslag was en stelde voor de bewezenverklaring dienovereenkomstig te corrigeren, omdat de aard en ernst van het bewezenverklaarde daardoor niet wezenlijk veranderen.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof weliswaar erkende dat sprake was van een onredelijke vertraging in de vervolging tijdens de appèlfase, maar niet duidelijk had gemaakt in welke mate de straf was verminderd vanwege deze termijnoverschrijding. Volgens vaste jurisprudentie moet bij strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn de straf worden vermeld die zou zijn opgelegd zonder overschrijding.

De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug voor een nieuwe behandeling van dat onderdeel. De overige onderdelen van het arrest bleven in stand. De zaak betrof een complexe strafzaak met meerdere veroordelingen en een taakstraf, waarbij ook dieren in beslag waren genomen en verbeurd verklaard.

Uitkomst: Arrest vernietigd voor strafoplegging wegens onvoldoende motivering en onduidelijke strafvermindering, zaak verwezen voor nieuwe behandeling.

Conclusie

Griffienr. 00635/06 E
Mr. Wortel
Zitting:16 januari 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden waarbij verzoeker wegens (2) "gedraging in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 37 van Pro de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd", (3 primair) "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 7 van Pro de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan", (4 primair) "wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben" en (5) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen" is veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof inbeslaggenomen dieren verbeurd verklaard, met bevel dat de opbrengst van de verkoop van de dieren, een bedrag van € 7.940,=, aan verzoeker zal worden vergoed.
2. Namens verzoeker heeft mr W.M. Bierens, advocaat te Assen, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.
In samenhangende zaken met griffienummers 00632/06 E en 00634/06 E concludeer ik heden eveneens.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit onvoldoende steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, aangezien daaruit niet kan worden afgeleid dat verzoeker een ruit heeft vernield.
4. Het gaat om enkele veranderingen in de inrichting van een vertrek in een politiebureau, die verzoeker heeft aangebracht nadat hij was ingesloten in verband met een meningsverschil met controlerende en opsporende ambtenaren. De tenlastelegging vermeldt het vernielen of beschadigen van een deurklink en een ruit. De beide voorwerpen zijn in de bewezenverklaring opgenomen. De bewijsmiddelen maken evenwel alleen gewag van de deurklink.
5. De klacht is derhalve terecht opgeworpen. Het is de vraag of dit tot vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe behandeling moet voeren. Opmerking verdient dat het bewijs van vernieling van de ruit onmiddellijk te vinden is: dezelfde aangifte namens de Regiopolitie Drenthe die het Hof als bewijsmiddel 6 heeft weergegeven houdt in dat een ruit over de gehele lengte is gebarsten, en verzoeker heeft toegegeven dat die scheur ontstond toen hij tegen het glas sloeg.
6. Zo beschouwd heeft verzoeker weinig te winnen bij een nieuwe behandeling. Het gaat wellicht wat ver om de bewijsmiddelen in het kader van deze behandeling van het cassatieberoep aan te vullen (ofschoon iets dergelijks wel eens is gebeurd, vgl. HR 11 maart 2003, LJN AF3338).
Ik stel daarom voor aan te nemen - gelet op de selectie van bewijsmiddelen - dat de woorden "en een ruit in" ten gevolge van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit zijn opgenomen, en de bewezenverklaring dienovereenkomstig verbeterd te lezen. De aard en ernst van het bewezenverklaarde wordt daardoor niet wezenlijk veranderd, en dat geldt a fortiori voor het belang van dit feit bij de strafbepaling.
Het middel behoeft derhalve niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te voeren.
7. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof weliswaar heeft vastgesteld dat van "een onredelijke vertraging in de vervolging in de appèlfase moet worden gesproken", waarmee bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden, maar heeft verzuimd aan te geven in welke mate de straf om deze reden is teruggebracht.
8. Dat heeft het Hof inderdaad niet duidelijk gemaakt, en bij strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn vergt de Hoge Raad nu eenmaal dat de straf wordt genoemd die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, vgl. HR NJ 2000, 721, rov. 3.23 en HR 14 maart 2006, LJN AV0410.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, en terug- of verwijzing van de zaak teneinde in zoverre opnieuw te worden afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,