ECLI:NL:PHR:2007:AZ6719
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontzegging omgangsrecht moeder met dochter wegens zwaarwegende belangen kind
In deze zaak staat het geschil over het omgangsrecht tussen een moeder en haar dochter centraal. Na het uiteengaan van de ouders verblijft de dochter bij haar vader, die het eenhoofdig gezag kreeg toegewezen. De moeder verzocht om omgangsrecht en een eenhoofdig gezag, maar het hof wees haar verzoek tot omgang af vanwege de gespannen relatie tussen de ouders en het ontbreken van communicatie.
De Raad voor de Kinderbescherming en een kinder- en jeugdpsychiater brachten rapporten uit waaruit bleek dat de moeder psychosociale problematiek vertoont, onvoldoende afstand heeft genomen van het verleden en onvoldoende inzicht heeft in haar rol in het conflict. Het hof concludeerde dat omgang met de moeder zou leiden tot spanningen die het belang van de dochter schaden, zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 3 onder d BW.
De moeder stelde cassatie in tegen deze beslissing en voerde onder meer aan dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had en onvoldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de juiste maatstaf had toegepast, voldoende gemotiveerd had en dat het rapport van de kinder- en jeugdpsychiater terecht was meegewogen. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het omgangsrecht van de moeder met haar dochter wordt ontzegd wegens zwaarwegende belangen van het kind.