ECLI:NL:PHR:2007:BA0699
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen afzonderlijk cassatieberoep tegen tussenbeslissingen over geheimhouding in belastingzaken
In deze zaak staat centraal of tegen een beslissing van het gerechtshof over het weigeren van overlegging van bepaalde stukken op grond van art. 8:29, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afzonderlijk cassatieberoep kan worden ingesteld. De zaak vloeit voort uit het Rekeningenproject van de Belastingdienst, waarbij navorderingsaanslagen en boetes zijn opgelegd aan belastingplichtigen die vermeend bankrekeningen bij buitenlandse banken, met name KBLux, niet hebben opgegeven.
De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen het niet overleggen van niet-openbare passages van het draaiboek en nieuwsbrieven, waarop de Inspecteur zich beriep op gewichtige redenen ex art. 8:29 Awb Pro. Het hof oordeelde dat een deel van de passages geheim moet blijven, maar een ander deel wel aan de belanghebbende moet worden verstrekt. De belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze tussenbeslissing.
De Hoge Raad oordeelt dat het bestuursprocesrecht, in tegenstelling tot het burgerlijk procesrecht, geen zelfstandige tussenuitspraken kent waartegen apart cassatieberoep openstaat. Beslissingen zoals die ex art. 8:29, lid 3, Awb over geheimhouding zijn geen einduitspraak en kunnen alleen worden bestreden in cassatie tegen de uitspraak waarin de zaak in haar geheel wordt afgedaan. Daarom is het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de tussenbeslissing over geheimhouding is niet-ontvankelijk verklaard.