ECLI:NL:PHR:2007:BA1525
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad van ongegrondverklaring verzet tegen dwangbevelen in invorderingszaak
In deze zaak staat een incident centraal waarin de Ontvanger van de Belastingdienst verzoekt om uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een arrest dat het verzet van eiser tegen dwangbevelen ongegrond verklaarde. De dwangbevelen betroffen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over meerdere jaren met verhogingen wegens vermeende onregelmatigheden. Eiser had verzet ingesteld tegen deze dwangbevelen, wat de tenuitvoerlegging schorst volgens art. 17 Invorderingswet Pro 1990.
De rechtbank en het hof hadden het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad afgewezen vanwege procedurele gronden, maar de Ontvanger stelde dit incidenteel in cassatie. De Hoge Raad overweegt dat het niet uitsluit dat een hogere rechter een dergelijke uitvoerbaarverklaring kan toewijzen, ook als lagere rechters dat niet deden op grond van ontvankelijkheid. De schorsende werking van verzet kan worden opgeheven indien het beroep op die schorsing als rechtsmisbruik moet worden aangemerkt, bijvoorbeeld als het verzet kansloos is.
De Hoge Raad stelt vast dat het verzet van eiser gebaseerd is op argumenten die reeds in fiscale procedures zijn onderzocht en verworpen, en dat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Het beroep op schorsing is daarom speciek en wordt aangemerkt als rechtsmisbruik. De incidentele vordering van de Ontvanger wordt toegewezen, waardoor de schorsende werking van het verzet eindigt en de dwangbevelen ten uitvoer kunnen worden gelegd. Eiser wordt veroordeeld in de kosten van het incident.
Uitkomst: De incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt toegewezen, waardoor de schorsende werking van het verzet eindigt.