ECLI:NL:PHR:2010:BN6706
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg testamentair legaat en waardering gelegateerde woning bij verhuurde staat
Deze zaak betreft de uitleg van een testamentair legaat waarbij een woning tegen vergoeding werd gelegateerd aan de kleindochter van de erflaatster, die de woning op het moment van overlijden huurde. Het geschil betrof welke waarderingsgrondslag van toepassing is: de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik, of de waarde in verhuurde staat.
De rechtbank had geoordeeld dat de waarde van het legaat moest worden vastgesteld op de waarde in verhuurde staat op het moment van uitvoering van het legaat. Het hof vernietigde dit en stelde de waarde vast op €230.000,- in onverhuurde staat op het moment van overlijden, met inachtneming van het gebruiksrecht van de legataris als huurder zonder het waardedrukkend effect van het huurrecht.
In cassatie werd onder meer betoogd dat het hof buiten de rechtsstrijd was getreden en dat het oude recht van toepassing was op de uitleg van het testament. De Hoge Raad oordeelde dat het nieuwe recht (art. 4:46 BW Pro) van toepassing is op de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen, ook bij lopende boedels, en dat het hof zijn uitleg zorgvuldig had gemotiveerd. De klachten over de waarderingsgrondslag en de uitvoerbaarheid bij voorraad werden verworpen.
De Hoge Raad bevestigde dat de waardering van het gelegateerde goed dient plaats te vinden met inachtneming van de feitelijke situatie ten tijde van het overlijden, en dat het huurrecht van de legataris als gebruiksrecht moet worden beschouwd zonder waardedrukkend effect. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de waarde van de gelegateerde woning vastgesteld op €230.000 in onverhuurde staat.