ECLI:NL:PHR:2007:BA1718
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid bij niet-tijdige melding betalingsonmacht door zieke bestuurder
Deze zaak betreft de aansprakelijkstelling van een bestuurder van een BV voor niet betaalde loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2003. De BV heeft de betalingsonmacht niet tijdig gemeld, waardoor de bestuurder aansprakelijk werd gesteld op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990.
Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat zijn ziekte (obstructief slaapapneu syndroom en depressie) hem verhinderde de betalingsonmacht tijdig te melden. Het Hof oordeelde dat belanghebbende zich al eind 2002/begin 2003 bewust had moeten zijn van het risico onvoldoende bestuurbaar te zijn en dat hij daarom tijdig maatregelen had moeten treffen, zoals het aanstellen van een zaakwaarnemer. Het Hof verwierp het verweer van belanghebbende en stelde hem aansprakelijk.
De Hoge Raad benadrukt dat de meldingsplicht strikt is en dat de bestuurder het vermoeden moet weerleggen dat het niet melden aan hem te wijten is. Daarbij moet worden beoordeeld of de bestuurder ondanks ziekte in staat was te melden of voorzorgsmaatregelen had moeten treffen. Onvoorzienbare ziekte vlak voor het einde van de termijn kan een disculpatiegrond zijn, maar het nalaten van maatregelen bij voorspelbare ongeschiktheid is verwijtbaar.
De Hoge Raad concludeert dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ziekte van belanghebbende geen disculpatiegrond oplevert en dat het Hof niet de juiste toets heeft toegepast op het moment waarop de bestuurder had moeten voorzien dat hij niet in staat zou zijn te melden. De zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling terug naar het Hof.