ECLI:NL:PHR:2007:BA2017
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing inzake nieuwe voorwaardelijke machtiging Wet Bopz
In deze zaak ging het om de verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging op grond van artikel 14c van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). Na vernietiging van een eerdere machtiging door de Hoge Raad werd een nieuwe machtiging aangevraagd en verleend door de rechtbank Utrecht. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad oordeelde dat de verwijzing in het dictum naar een behandelingsplan van 26 juni 2006 onduidelijk was, omdat feitelijk een plan van 11 december 2006 was overgelegd. Dit leidde tot vernietiging van de beschikking. Verder werd geoordeeld dat het overgelegde behandelingsplan voldeed aan de wettelijke eisen, ook al ontbrak aanvankelijk de handtekening van de behandelend psychiater, omdat deze later werd nagezonden en de rechtbank de aanwezigheid en instemming van de behandelaar vaststelde.
Daarnaast werd vastgesteld dat de rechtbank betrokkene onvoldoende gelegenheid had gegeven zich uit te spreken over nagezonden stukken, wat in strijd is met het recht op hoor en wederhoor. Ook was de voorwaarde dat betrokkene zich moest houden aan afspraken met het casemanagementteam onvoldoende concreet en gemotiveerd, waardoor deze niet voldeed aan de wettelijke eisen. Ten slotte werd bevestigd dat de vernietiging van de eerdere machtiging niet automatisch de nieuwe machtiging ongeldig maakt. De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Utrecht voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot verlening van de nieuwe voorwaardelijke machtiging en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.