ECLI:NL:PHR:2007:BA2924
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het Nederlanderschap ondanks intrekking naturalisatie wegens afstandsplicht
De zaak betreft de vraag of het Koninklijk Besluit van 3 april 2000, waarbij aan de verweerder en zijn echtgenote het Nederlanderschap werd verleend, terecht is ingetrokken op 4 februari 2002 wegens het niet voldoen aan de afstandsplicht van de oorspronkelijke nationaliteit. De verweerder en zijn echtgenote, beiden Turks staatsburger, hadden in 1999 een verzoek tot naturalisatie ingediend en een bereidverklaring tot afstand van de Turkse nationaliteit ondertekend. Na verlening van het Nederlanderschap werd dit besluit ingetrokken omdat zij niet voldoende hadden gedaan om hun oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
De rechtbank had het verzoek van de verweerder tot vaststelling van het Nederlanderschap toegewezen, stellende dat de afstandsplicht niet van toepassing is op personen die gehuwd zijn met een Nederlander, conform artikel 9 lid 3 RWN Pro en het Tweede Protocol bij het Verdrag van Straatsburg. De Staat betwistte dit en voerde onder meer aan dat Turkije geen partij is bij het Protocol en dat de verweerder ten tijde van het naturalisatieverzoek niet gehuwd was met een Nederlander.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep op de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit niet geoorloofd is in cassatie en bevestigt dat de doelstelling van eenheid van nationaliteit binnen het gezin ook geldt voor gelijktijdige naturalisatie. De afstandsplicht mocht derhalve niet worden toegepast in deze situatie, waardoor de intrekking onterecht was. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Staat en bevestigt het Nederlanderschap van de verweerder sinds 3 april 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het Nederlanderschap van de verweerder sinds 3 april 2000 en verwerpt het cassatieberoep van de Staat.