ECLI:NL:PHR:2007:BA5197
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot ontslag van instantie in faillissementsprocedure wegens voldoende zekerheid voor proceskosten
In deze faillissementszaak heeft de Staat bij de Hoge Raad incidenteel verzocht om ontslag van instantie op grond van artikel 27 lid 2 Faillissementswet Pro, nadat de curator van de gefailleerde eiser niet was verschenen om de procedure over te nemen. De Staat beriep zich op het belang om niet geconfronteerd te worden met onverhaalbare proceskosten.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 27 Fw Pro de wederpartij de bevoegdheid geeft het geding te schorsen en ontslag van instantie te vragen indien de curator niet verschijnt. Echter, deze bevoegdheid is niet dwingend; de rechter mag het verzoek afwijzen als toewijzing in strijd is met een goede procesorde.
De eiser had voldoende zekerheid gesteld voor de proceskosten door middel van een borgstelling door zijn moeder. Hierdoor ontbrak het belang van de Staat bij het verzoek tot ontslag van instantie. Ook de opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling deden hieraan niet af. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De zaak betreft een procedure over onrechtmatige daad jegens het CJIB, waarbij de hoofdzaak nog in behandeling is. Het arrest bevestigt dat het belang van de wederpartij bij ontslag van instantie moet worden afgewogen tegen het belang van de gefailleerde bij voortzetting van de procedure.
Uitkomst: Het verzoek van de Staat tot ontslag van instantie wordt afgewezen vanwege het ontbreken van belang door voldoende zekerheid voor proceskosten.