ECLI:NL:PHR:2007:BA5958
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsgeschil over schadevergoeding wegens niet-nakoming toezegging arbeidsovereenkomst onbepaalde tijd
De werknemer had tussen 2001 en 2003 drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met de werkgever gesloten. De werkgever had in 2002 schriftelijk bevestigd dat het de bedoeling was het tijdelijke contract om te zetten in een dienstverband voor onbepaalde tijd. De werknemer sloot op basis daarvan een hypotheeklening af. In 2003 liet de werkgever weten dat het tijdelijke contract niet werd verlengd, waarna het dienstverband eindigde.
De werknemer vorderde vervolgens schadevergoeding wegens het niet nakomen van de toezegging tot een contract voor onbepaalde tijd. Zowel de kantonrechter als het hof wezen de vordering af, omdat de werknemer de werkgever niet in gebreke had gesteld met een ingebrekestelling, die volgens de wet vereist is om verzuim vast te stellen.
De werknemer stelde in cassatie dat een ingebrekestelling niet nodig was, verwijzend naar artikel 6:83 BW Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de mededeling van de werkgever niet zodanig was dat de werknemer daaruit mocht afleiden dat nakoming zou uitblijven, zodat een ingebrekestelling noodzakelijk was.
De Hoge Raad verwierp ook de klacht dat het hof ten onrechte had aangenomen dat het disfunctioneren van de werknemer vaststond, maar stelde dat dit voor het oordeel niet relevant was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen; geen schadevergoeding wegens ontbreken ingebrekestelling.