ECLI:NL:PHR:2007:BA6306

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00777/07 U
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 322 lid 3 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks gewijzigde samenstelling rechtbank

De Rechtbank te Rotterdam verklaarde op 19 februari 2007 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Noorwegen toelaatbaar. De zaak kende meerdere zittingen met wisselende samenstellingen van de rechtbank, waarbij de behandeling op de tweede zitting werd geschorst om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn.

De verdediging betoogde in cassatie dat de uitspraak nietig was omdat het onderzoek niet opnieuw was aangevangen bij de gewijzigde samenstelling, noch was ingestemd met voortzetting conform art. 322 lid 3 Sv Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het proces-verbaal van de zitting van 5 februari 2007 niet vermeldde dat het onderzoek opnieuw was aangevangen, maar uit latere zittingen bleek dat dit wel het geval was.

De rechtbank had het onderzoek daadwerkelijk opnieuw aangevangen na identificatie van de opgeëiste persoon en mededeling van het uitleveringsverzoek. Omdat de rechtbank zich bewust was van de gewijzigde samenstelling en niet op grond van eerdere zittingen had beslist, was er geen schending van de rechten van de opgeëiste persoon.

Het cassatiemiddel faalde en de Hoge Raad verwierp het beroep. Er waren geen gronden om ambtshalve te vernietigen. De uitlevering aan Noorwegen blijft daarmee rechtens toelaatbaar.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de uitleveringsuitspraak wordt verworpen en de uitlevering blijft toelaatbaar.

Conclusie

Nr. 00777/07 U
Mr. Vellinga
Zitting: 29 mei 2007 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[alias 2], ook bekend als [de opgeëiste persoon 1] en [alias 2]
1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 19 februari 2007 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Noorwegen ter vervolging toelaatbaar verklaard.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 00777/07, 00823/07 en 00824/07. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de opgeëiste persoon heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel houdt in dat de uitspraak van de Rechtbank nietig is omdat het verzoek is behandeld ter zitting van 5 februari 2007 in een andere samenstelling van de Rechtbank dan ter zitting van 23 augustus 2006 en 6 december 2006, terwijl het proces-verbaal van de zitting van 5 februari 2007 niet vermeldt en daaruit ook niet blijkt dat het onderzoek opnieuw is aangevangen en evenmin blijkt dat door de Officier van Justitie en de opgeeiste persoon overeenkomstig het bepaalde in art. 322 lid 3 Sv Pro met voortzetting van de behandeling is ingestemd.
5. Het proces-verbaal van de zitting van 5 februari 2007 houdt inderdaad niet in dat de Rechtbank heeft bevolen dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen.
6. Uit de gang van zaken ter zitting van 5 december 2007, zoals deze is weergegeven in het proces-verbaal van die zitting, vloeit echter voort dat de Rechtbank het onderzoek wel opnieuw heeft aangevangen. Na identificatie van de ter zitting aanwezig opgeëiste persoon vangt de voorzitter het onderzoek immers aan met mededeling van de inhoud van het uitleveringsverzoek, van de brief van de Minister van Justitie, houdende het verzoek aan de hoofdofficier van justitie in het arrondissement om het verzoek in behandeling te nemen en van de schriftelijke vordering van de Officier van Justitie. Dienovereenkomstig heeft de Rechtbank de Officier van Justitie en de opgeëiste persoon niet gevraagd of zij instemden met voortzetting van de behandeling.(1)
7. Nu uit de uitspraak van de Rechtbank voorts blijkt dat zij zich heeft gerealiseerd dat haar samenstelling ter zitting van 5 december 2007 een andere was dan die ter zitting van 23 augustus 2006 en zij niet blijk geeft mede te hebben beslist op grond van het onderzoek ter zitting van 23 augustus 2006, is de opgeëiste persoon door het enkele achterwege blijven van het bevel tot opnieuw aanvangen van het onderzoek ter zitting niet in zijn rechtens beschermde belangen geschaad.(2)
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 8 februari 2005, NJ 2005, 228 voor een geval waarin uit het instemmen overeenkomstig het bepaalde in art 322 lid 3 Sv Pro werd afgeleid dat het Hof mede recht had gedaan op het eerder in andere samenstelling door het Hof verricht onderzoek.
2 Vgl. HR 25 oktober 2005, LJN AU2698 t.a.v. het tweede middel.