ECLI:NL:PHR:2007:BA7667
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafvermindering bij te late rechtsbijstand tijdens inverzekeringstelling
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden of bewijs uitgesloten moest worden vanwege een vormverzuim bij de inverzekeringstelling van de verdachte. De verdachte was te laat van rechtsbijstand voorzien doordat de melding van de inverzekeringstelling verkeerd was gefaxt naar de piketcentrale, waardoor de advocaat niet tijdig aanwezig was.
Het hof oordeelde dat sprake was van een ernstig, onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, maar dat dit niet zodanig ernstig was dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard of bewijs uitgesloten moest worden. Het hof compenseerde het nadeel van de verdachte door strafvermindering toe te passen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de mate van verwijtbaarheid van het verzuim en het daadwerkelijke nadeel voor de verdachte meewegen bij de keuze van het rechtsgevolg.
De Hoge Raad overwoog dat het verzuim een technische fout betrof, dat het niet aannemelijk was dat de verdachte zonder het verzuim haar bekennende verklaring niet had afgelegd, en dat de politie niet verplicht is te wachten op de komst van een advocaat voordat zij een verhoor afneemt. Het arrest bevestigt de jurisprudentie dat strafvermindering een passende sanctie kan zijn bij vormverzuimen die daadwerkelijk nadeel veroorzaken, terwijl bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkheid zwaardere sancties zijn die alleen in uitzonderlijke gevallen aan de orde zijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het vonnis waarin de verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf, waarbij de strafvermindering was toegepast vanwege het vormverzuim.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt strafvermindering wegens te late rechtsbijstand tijdens inverzekeringstelling en verwerpt niet-ontvankelijkheid en bewijsuitsluiting.