ECLI:NL:PHR:2007:BA7970
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid aandeelhoudersvergadering bij verkoop LaSalle door ABN AMRO
De zaak betreft een verzoek van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en andere aandeelhouders om een onderzoek naar het beleid van ABN AMRO Holding en haar dochtervennootschap ABN AMRO Bank, en om onmiddellijke voorzieningen te treffen die de verdere uitvoering van de verkoop van LaSalle aan Bank of America blokkeren zonder goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders. De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 3 mei 2007 een dergelijk verbod opgelegd, stellende dat het bestuur voor de verkoop goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering had moeten vragen op grond van een analogische toepassing van art. 2:107a BW en art. 2:8 BW Pro.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de rechtsvergelijking met het Amerikaanse, Duitse en Engelse recht, waarbij onder meer wordt ingegaan op de business judgment rule, de enhanced scrutiny test, en het goedkeuringsrecht van aandeelhouders bij belangrijke transacties. De Hoge Raad benadrukt het belang van rechtszekerheid en de wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen bestuur en algemene vergadering. Daarbij wordt geoordeeld dat het bestuursbesluit tot verkoop van LaSalle zonder voorafgaande goedkeuring van de algemene vergadering niet kan worden gebaseerd op een buitenwettelijke goedkeuringsbevoegdheid van de aandeelhouders.
De Hoge Raad stelt dat de Ondernemingskamer ten onrechte bij wijze van onmiddellijke voorziening de verdere uitvoering van de LaSalle-transactie heeft opgeschort. Er is geen wettelijke of statutaire grondslag voor een dergelijk goedkeuringsrecht van de algemene vergadering enkel op grond van ongeschreven recht. De Ondernemingskamer heeft de redelijkheid en billijkheid niet mogen gebruiken om een nieuwe bevoegdheid aan de algemene vergadering toe te kennen die niet in wet of statuten is geregeld.
De Hoge Raad bevestigt dat het bestuur gehouden is tot een behoorlijke taakvervulling jegens de vennootschap en dat wanbeleid kan leiden tot aansprakelijkheid, maar dat dit niet betekent dat aandeelhouders een algemeen goedkeuringsrecht hebben voor bestuursbesluiten zoals de verkoop van een dochtermaatschappij. De uitspraak benadrukt het belang van een heldere bevoegdheidsverdeling en rechtszekerheid binnen de vennootschap en beperkt de reikwijdte van art. 2:107a BW strikt tot de daarin genoemde gevallen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de onmiddellijke voorziening van de Ondernemingskamer en oordeelt dat het bestuur geen voorafgaande goedkeuring van de aandeelhouders nodig had voor de verkoop van LaSalle.