ECLI:NL:PHR:2007:BB0414
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aftrek van voorbelasting bij gemengde activiteiten van een vereniging
In deze zaak staat centraal of Vereniging X terecht de voorbelasting op kosten die samenhangen met algemene belangenbehartiging in aftrek heeft gebracht. De vereniging verricht zowel commerciële activiteiten waarvoor zij een vergoeding ontvangt als algemene belangenbehartiging zonder directe tegenprestatie. Het Hof verklaarde het beroep van de vereniging ongegrond, stellende dat de algemene belangenbehartiging niet binnen het kader van de onderneming plaatsvindt en dus geen recht geeft op aftrek van voorbelasting.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid jurisprudentie over de ondernemers- en niet-ondernemerssfeer van rechtspersonen, waarbij wordt bevestigd dat naast een ondernemerssfeer ook een niet-ondernemerssfeer kan bestaan. Het leerstuk van vermogensetikettering, dat betrekking heeft op de toerekening van kosten aan ondernemings- en privégebruik, wordt eveneens behandeld. De Hoge Raad overweegt dat dit leerstuk ook op rechtspersonen van toepassing kan zijn, maar dat onduidelijkheid bestaat over de toepassing op diensten en niet-investeringsgoederen.
De conclusie is dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gewenst zijn om de toepassing van artikel 6, lid 2, sub a en b, van de Zesde richtlijn op ingekochte diensten en niet-investeringsgoederen te verduidelijken. Tevens wordt het vraagstuk van de juiste toerekening van voorbelasting bij gemengde prestaties aan de orde gesteld. De Hoge Raad geeft aan dat de huidige regeling in de Wet OB afwijkt van de Zesde richtlijn en dat het leerstuk van vermogensetikettering een mogelijke oplossing kan bieden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vereniging de voorbelasting op algemene belangenbehartiging ten onrechte in aftrek heeft gebracht en stelt prejudiciële vragen aan het HvJ EG.