ECLI:NL:PHR:2007:BB3516
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs beroepsaansprakelijkheid advocaat in belastinggeschil
De zaak betreft een beroepsaansprakelijkheidsvordering van een voormalige cliënt tegen zijn advocaat, die hem in eerdere procedures tegen Alcas had bijgestaan. De cliënt stelde dat de advocaat had nagelaten te betogen dat Alcas verplicht was diens belastingschulden over 1986 en 1987 als eigen schuld te voldoen, hetgeen volgens hem bewijsbaar was.
De rechtbank en het hof hadden de vordering afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat Alcas deze verplichting had aanvaard en de advocaat niet onzorgvuldig had gehandeld door deze stelling niet te verdedigen. Het hof overwoog dat de cliënt pas na afloop van de procedures bewijs had overgelegd dat deze afspraak mogelijk bestond, maar dat deze bewijsmiddelen niet beschikbaar waren tijdens de procedures.
De Hoge Raad bevestigt dat voor het slagen van de vordering vereist is dat de afspraak tussen cliënt en Alcas is gemaakt en dat de advocaat daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. De cliënt slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de advocaat reeds in 1992 over dit bewijs beschikte. Ook het bewijsaanbod in hoger beroep wordt door het hof terecht gepasseerd omdat het onvoldoende specifiek en relevant was.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en behandelt de zaak op de voet van artikel 81 RO Pro, omdat er geen belang is voor rechtseenheid of -ontwikkeling. De vordering tot schadevergoeding wegens beroepsfout wordt daarmee afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de afwijzing van de vordering wegens onvoldoende bewijs van beroepsfout.