ECLI:NL:PHR:2007:BB4838
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor opzettelijke overtreding kredietwet en bedrieglijke bankbreuk door feitelijke leidinggever
De verdachte werd door het Hof veroordeeld wegens het opzettelijk aantrekken van gelden door [A] B.V. in strijd met artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en het plegen van bedrieglijke bankbreuk door het niet voeren van een deugdelijke administratie, terwijl hij feitelijke leiding gaf aan deze verboden gedragingen.
Het Hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte, getuigenverklaringen, proces-verbalen van de Belastingdienst/FIOD en verklaringen van de curator en accountants. De verdachte had ondanks eerdere veroordeling zijn activiteiten voortgezet en grote bedragen van particulieren aangetrokken, waarvan het merendeel niet werd terugbetaald.
De administratie van [A] B.V. was ondeugdelijk, waardoor de afwikkeling van het faillissement werd bemoeilijkt. De verdachte had eerder soortgelijke feiten gepleegd, wat meewoog in de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof voldoende gemotiveerd had en dat de middelen van cassatie faalden.
De opgelegde straf van drie jaren gevangenisstraf werd bevestigd, waarbij het Hof rekening hield met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de impact op de benadeelde partijen en het vertrouwen in het kredietwezen.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf wegens opzettelijke overtreding van de Wet toezicht kredietwezen en bedrieglijke bankbreuk als feitelijk leidinggever van [A] B.V.