ECLI:NL:PHR:2007:BB4949
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid arrest wegens schending procesrechtelijke termijnen en vormvoorschriften in hoger beroep
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen tot een gevangenisstraf van twee weken, waarvan één week voorwaardelijk. Het Hof wees het arrest bij verstek, terwijl de verdachte niet in persoon was betekend en niet verschenen was bij de terechtzitting.
De Hoge Raad constateerde dat de in art. 413.1 Sv voorgeschreven termijn van tien dagen niet was gerespecteerd en dat het Hof het onderzoek niet had geschorst ondanks het ontbreken van toestemming van de verdachte voor verkorting van die termijn. Dit verzuim leidde tot strijd met een behoorlijke procesorde en nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak.
Daarnaast voldeed het arrest niet aan de formele eisen van Boek II, Titel VI, vierde afdeling van het Wetboek van Strafvordering, met name het ontbreken van motivering van de opgelegde vrijheidsstraf en het onjuist opmaken van de aantekening van het mondeling arrest. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het Gerechtshof is nietig verklaard en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.