ECLI:NL:PHR:2007:BB5362

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01953/06
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 SvArt. 326 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM in vervolging oplichting ondanks eerdere sepotbeslissing

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarbij verdachte is veroordeeld wegens oplichting van vijf personen en verduistering van geldbedragen. De kern van het geschil was of het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging voor alle zes feiten, aangezien eerder een sepotbeslissing was genomen voor vijf feiten en alleen een beklag was gedaan over het zesde feit.

De officier van justitie had aanvankelijk de dagvaarding ingetrokken en de zaak geseponeerd wegens verjaring. Na een beklag ex artikel 12 Sv Pro door een benadeelde partij werd door het hof alsnog vervolging bevolen, maar het hof achtte het OM ook ontvankelijk voor de overige vijf feiten waarop geen beklag was gedaan.

De verdediging betoogde dat het OM niet ontvankelijk was voor die vijf feiten, omdat het beklag alleen betrekking had op het zesde feit. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat het OM ontvankelijk was in de vervolging van alle feiten, mede gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden van de zaak.

De Hoge Raad concludeert dat de eerdere sepotbeslissing onjuist was en dat het bevel tot vervolging door het hof ook betrekking had op alle feiten. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling van verdachte tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met proeftijd, en een taakstraf in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van alle feiten, waardoor de veroordeling van verdachte in stand bleef.

Conclusie

Griffienr. 01953/06
Mr Wortel
Zitting:18 september 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens (feiten 2 tot en met 6 telkens)"oplichting" is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Voorts heeft het Hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partijen en tot dezelfde bedragen, betalingsverplichtingen jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal komen te vervallen indien en voor zover verzoeker aan de andere, jegens of ten behoeve van dezelfde benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting zal hebben voldaan.
2. Namens verzoeker heeft mr D.J.L. Wijnveldt, advocaat te Arnhem, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel komt op tegen de beslissing op een verweer dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen:
"Ter terechtzitting is door de raadsman van verdachte betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van de feiten 1 tot en met 5 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. De raadsman stelt dat op 20 juni 2003 een sepotbeslissing voor alle feiten vanwege de officier van justitie is uitgegaan en dat, na gedaan beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering, door de rechtstreeks betrokkene met betrekking tot feit 6, het hof heeft beslist dat tegen verdachte alsnog een vervolging wordt ingesteld en dat die vervolging uitsluitend betrekking heeft op het onder 6 tenlastegelegde.
Uit de stukken van de zaak is het navolgende gebleken:
- Tegen verdachte is door de politie Gelderland-Midden, District Overbetuwe, een proces-verbaal opgemaakt, dat betrekking heeft op een zestal incidenten.
- Verdachte is voor deze zaak gedagvaard om te verschijnen op de zitting van de politierechter op 16 juli 2003.
- Deze dagvaarding is op 19 juni 2003 door de officier van justitie ingetrokken.
- Op 20 juni 2003 seponeert de officier van justitie de onderhavige zaak om reden dat het feit waarvan verdachte wordt verdacht nu te oud is. De officier bericht daarbij aan verdachte dat de zaak hiermee is afgedaan, tenzij de officier van justitie op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien en tenzij het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt naar aanleiding van een beklag ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
- Op 8 augustus 2003 doet [benadeelde partij 6], de benadeelde met betrekking tot het onder 6 tenlastegelegde, schriftelijk beklag over de beslissing van de officier van justitie om tegen verdachte geen strafvervolging in te stellen.
- Op 5 juli 2004 beveelt het hof dat door de officier van justitie te Arnhem een vervolging wordt ingesteld tegen verdachte, ter zake van enige vorm van bedrog, strafbaar gesteld bij de artikelen 326 en verder van het Wetboek van Strafrecht.
Het hof is van oordeel dat gelet op de kennisgeving sepot, waarin de officier van justitie meedeelt dat de zaak is afgedaan tenzij het hof in deze zaak alsnog een vervolging beveelt, en op de beslissing van het hof van 5 juli 2004, waarbij werd bevolen dat tegen verdachte een vervolging wordt ingesteld ter zake van enige vorm van bedrog, het openbaar ministerie ook ter zake van de feiten 1 tot en met 5 ontvankelijk is in de strafvervolging tegen verdachte. Het verweer wordt derhalve verworpen."
4. De op het krachtens art. 12 Sv Pro gedane beklag gegeven beschikking bevindt zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken en houdt in, samengevat
- het beklag is gedaan door iemand die bij de politie aangifte deed van oplichting, hieruit bestaande dat hij op advies van verzoeker een dakkapel had laten plaatsen en in verband daarmee een hypotheeklening was aangegaan, terwijl verzoeker het bedrag van die lening in eigen zak had gestoken;
- verzoeker was als adviseur in dienst van iemand die zowel dakkapellen plaatste als bemiddelde in hypothecaire financieringen; ook die voormalige werkgever had aangifte tegen verzoeker gedaan waarbij onder meer melding was gemaakt van het feit waarvan de klager in de art. 12 Sv Pro-procedure slachtoffer was geworden;
- aanvankelijk is aan verzoeker een dagvaarding uitgebracht op grond van het opsporingsonderzoek dat naar aanleiding van de aangifte van die voormalige werkgever was ingesteld;
- de officier van justitie heeft die dagvaarding evenwel weer ingetrokken en de zaak geseponeerd op de grond 'oud feit', overwegende dat de stukken te lang bij de politie en het parket waren blijven liggen;
- die sepotbeslissing was onjuist, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheid dat een vertraging zoals zich die in deze zaak had voorgedaan in de regel tot strafvermindering behoort te voeren;
- de officier van justitie is daarom bevolen - zoals in de thans bestreden uitspraak overwogen - verzoeker te vervolgen "ter zake van enige vorm van bedrog, strafbaar gesteld bij de artikelen 326 en verder van het Wetboek van Strafrecht".
5. Bij de stukken bevindt zich een dagvaarding aan verzoeker om terecht te staan ter terechtzitting van de politierechter in het arrondissement Arnhem van 16 juli 2003, waarin onder parketnummer 05/060073-02 zes feiten zijn tenlastegelegd, waarvan het eerste feit bestaat uit verduistering van geldbedragen ten nadele van zekere [benadeelde partij 1] (de voormalige werkgever die aangifte tegen verzoeker had gedaan) en de overige feiten zich kort laten omschrijven als oplichting van vijf personen die op verzoekers advies hypotheekleningen waren aangegaan, waaronder degene die het op art. 12 Sv Pro gegronde beklag heeft ingediend.
6. Bij de stukken bevindt zich voorts een stuk met opschrift "Intrekking dagvaarding" betreffende de dagvaarding voor de zitting van 16 juli 2003, gedateerd 19 juni 2003 met vermelding van parketnummer 05-060073-02, en een sepotmededeling met hetzelfde parketnummer gedateerd 20 juni 2003, waarin verzoeker is medegedeeld dat op het parket van de officier van justitie "een proces-verbaal" was binnengekomen, en de officier van justitie had besloten verzoeker "daarvoor" niet (verder) te vervolgen omdat "het feit waarvan u wordt verdacht nu te oud is".
7. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft het Hof aan de krachtens art. 12 e.v. Sv gegeven beslissing, bezien in samenhang met de ingetrokken dagvaarding en het zojuist genoemde sepotbericht, deze betekenis toegekend dat het aan de officier van justitie gegeven bevel verzoeker alsnog te vervolgen betrekking had op het bedrog waarvan melding is gemaakt in de aangifte van verzoekers voormalige werkgever, en in de ingetrokken dagvaarding was omschreven als diverse gevallen van oplichting.
8. Het middel faalt derhalve, zodat ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
Naar mijn oordeel leent het enige middel, en daarmee ook het beroep, zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,