ECLI:NL:PHR:2007:BB6400
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeslissing en verwerpt niet-ontvankelijkheidsverweer OM
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van auteursrechtinbreuk. Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen een tussenbeslissing van 8 maart 2005 over het horen van getuigen.
De Hoge Raad oordeelde dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep voor zover dit gericht is tegen de tussenbeslissing, omdat de bestreden einduitspraak niet mede op die tussenbeslissing berust en de dagvaarding in hoger beroep vóór 1 januari 2005 was betekend, waardoor de latere wetswijziging niet van toepassing is.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad het verweer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou zijn omdat verdachte reeds in een eerdere zaak in Den Haag was vervolgd en veroordeeld voor feiten die gerelateerd zijn aan de huidige zaak. De Hoge Raad verwierp dit verweer omdat het onderzoek naar de criminele organisatie en de andere praktijken voortgezet mochten worden, en het OM het recht niet had verspeeld om de vervolging voort te zetten.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover gericht tegen de tussenbeslissing en dat het beroep voor het overige wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging aangetroffen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie tegen de tussenbeslissing en het beroep is voor het overige verworpen.