ECLI:NL:PHR:2007:BB6400

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03323/06
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588.3 SvArt. 322.4 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeslissing en verwerpt niet-ontvankelijkheidsverweer OM

De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte was veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van auteursrechtinbreuk. Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen een tussenbeslissing van 8 maart 2005 over het horen van getuigen.

De Hoge Raad oordeelde dat verdachte niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep voor zover dit gericht is tegen de tussenbeslissing, omdat de bestreden einduitspraak niet mede op die tussenbeslissing berust en de dagvaarding in hoger beroep vóór 1 januari 2005 was betekend, waardoor de latere wetswijziging niet van toepassing is.

Daarnaast behandelde de Hoge Raad het verweer dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou zijn omdat verdachte reeds in een eerdere zaak in Den Haag was vervolgd en veroordeeld voor feiten die gerelateerd zijn aan de huidige zaak. De Hoge Raad verwierp dit verweer omdat het onderzoek naar de criminele organisatie en de andere praktijken voortgezet mochten worden, en het OM het recht niet had verspeeld om de vervolging voort te zetten.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover gericht tegen de tussenbeslissing en dat het beroep voor het overige wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging aangetroffen.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie tegen de tussenbeslissing en het beroep is voor het overige verworpen.

Conclusie

Nr. 03323/06
Mr. Bleichrodt
Zitting 2 oktober 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam zitting houdende te Arnhem, heeft bij arrest van 26 april 2006 de verdachte ter zake van 1. "als oprichter, leider of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en 2. "medeplegen van het als beroep of bedrijf uitoefenen van het opzettelijk inbreuk maken op eens anders auteursrecht, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeventien maanden en twee weken, alsmede tot een geldboete van vijftienduizend euro, subsidiair driehonderd dagen hechtenis.
2. Mr W.J. Ausma, advocaat te Nieuwegein, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. R. Zilver, advocaat te Nieuwegein, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. (1)
3.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans met toepassing van de verkeerde maatstaf het verzoek heeft afgewezen tot het horen van een aantal getuigen, dan wel dat het die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2.1 Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2005 houdt onder meer in:
De raadsman deelt mede- zakelijk weergegeven-:
"Ik persisteer bij mijn verzoeken zoals ik deze in mijn brief van 18 februari 2005 heb omschreven. Ik reageer hierbij op het schriftelijke antwoord dat ik op deze verzoeken van de advocaat-generaal heb ontvangen.
(...)
Ik wil de getuige [getuige 5] confronteren met de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], teneinde aan te kunnen tonen dat de verklaringen die [getuige 5] heeft afgelegd, onbetrouwbaar en ongeloofwaardig zijn".
3.2.2 Blijkens dat proces-verbaal heeft het Hof een aantal verzoeken van de raadsman gehonoreerd en een nader onderzoek door de Rechter-Commissaris gelast, doch het verzoek tot het horen van genoemde getuigen (en van de getuige [getuige 1]) afgewezen.
3.2.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 12 april 2006 houdt in:
"In verband met de gewijzigde samenstelling van het hof wordt het onderzoek opnieuw aangevangen.
(...)
De voorzitter merkt op dat de zaak op 8 maart 2005 is aangehouden voor het horen van getuigen bij de rechter-commissaris en het oproepen van getuige [getuige 5] voor de zitting van vandaag. De getuigen zijn inmiddels bij de rechter-commissaris gehoord. Getuige [getuige 5] is verschenen en bevindt zich niet in de zittingszaal.
De raadsman deelt desgevraagd mede dat hij momenteel geen verzoeken meer heeft".(2)
3.2.4 Het bestreden arrest houdt in dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het Hof van 12 april 2006 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
3.3 Nu het bestreden arrest niet is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 8 maart 2005 is verdachte in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de op die terechtzitting gegeven tussenbeslissing niet-ontvankelijk.(3)
Weliswaar bepaalt artikel 322, lid 4, Sv thans, na de inwerkingtreding van de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 579, dat in een geval als het onderhavige beslissingen over het horen van getuigen, ook als het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, in stand blijven (zodat daarover dan ook kan worden geklaagd(4)), maar die bepaling is hier, gelet op de overgangsbepaling (art. V) van genoemde wet niet van toepassing. Immers, de dagvaarding in hoger beroep is vóór 1 januari 2005 en wel op 24 december 2004 betekend.
3.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte in zijn cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen bedoelde tussenbeslissing van 8 maart 2005, niet-ontvankelijk is, zodat het middel buiten bespreking kan blijven.
4.1 Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof op een verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, niet heeft beslist.
4.2 Volgens de toelichting gaat het om het verweer dat de verdachte voor de tweede maal in de "zaak [...]" (de Haagse zaak) wordt vervolgd, omdat die zaak een substantieel onderdeel vormt van de onderhavige zaak; kennelijk gaat het dan om feit 1 in deze zaak, de betrokkenheid van verdachte bij een criminele organisatie. De feiten waarvoor verdachte in de Haagse zaak was vervolgd (kort gezegd afpersing, vrijheidsberoving en geweld) en waarvoor hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, hadden, zo begrijp ik het verweer en het middel, immers te maken met het intern functioneren van de organisatie.
4.3 Het bestreden arrest houdt onder het hoofd "Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie onder meer het volgende in:
" (...)
Het recht om verdachte voor feit 1 te vervolgen zou verder af moeten springen op het feit dat verdachte terzake van daarmee gelieerde feiten in Den Haag reeds vervolgd en veroordeeld is. Uit het dossier blijkt dat verdachte in Den Haag is vervolgd (en uiteindelijk ook in hoger beroep veroordeeld) voor afpersing in vereniging, medeplegen vrijheidsberoving en medeplegen mishandeling, wat, kort gezegd, een afstraffing was door verdachte en zijn companen, toegediend aan [getuige 5] en een derde. Het onderzoek naar (in déze strafzaak aan de orde) de criminele organisatie waarvan verdachte deel uit zou maken en de (andere) praktijken van die organisatie, werd door of onder leiding van het parket Utrecht voortgezet en de uitkomsten van dat onderzoek leidden tot deze strafzaak. Het hof kan niet zien waarom of op grond waarvan het Openbaar Ministerie het recht zou hebben verspeeld om dit een en ander door te zetten tot deze strafzaak. Ook dit verweer sneuvelt".
4.4 Uit het voorgaande volgt dat het middel feitelijke grondslag mist, omdat het Hof wel op het verweer heeft gereageerd. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden en kan met de aan art. 81 RO Pro te ontlenen motivering worden afgedaan.
5. Gronden die tot ambtshalve vernietiging zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn beroep voor zover dat is gericht tegen de op 8 maart 2005 gegeven tussenbeslissing en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met 3321-06, waarin ik vandaag ook concludeer.
2 Niet alleen is het verzoek op de nadere terechtzitting dus niet herhaald, uit deze laatste opmerking zou kunnen worden afgeleid dat de verdediging na het inmiddels ingestelde onderzoek geen belang meer zag in het horen van genoemde getuigen en daarom geen belang heeft bij de cassatieklacht.
3 Vgl. HR 20 februari 1996, NJ 1996, 424. Het beroep dat in het middel wordt gedaan op HR NJ 1998, 153, miskent dat toen met instemming van de procespartijen al hetgeen op de eerdere terechtzitting blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal was verhandeld, op de "nieuwe" terechtzitting als herhaald en ingelast werd beschouwd.
4 Vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ9346