ECLI:NL:PHR:2007:BB7081

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02722/06
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging veroordeling mishandeling wegens onvoldoende bewijs en terugwijzing zaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem verdachte veroordeeld voor mishandeling en een geldboete opgelegd. Daarnaast verklaarde het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in diens vordering. Verzoeker stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat de stukken van het geding te laat waren toegezonden, waardoor de redelijke termijn werd overschreden. Dit dient bij de verdere behandeling in acht te worden genomen. Vervolgens werd geoordeeld dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd was en niet door enig bewijsmiddel werd gedragen. De verklaringen van de aangever en diens vriend waren tegenstrijdig en legden geen direct verband met de verdachte.

De verdachte had verklaard slechts één persoon vastgepakt te hebben en geen klappen te hebben uitgedeeld, wat een andere interpretatie van de feiten mogelijk maakt. De Hoge Raad achtte het wenselijk dat de feitenrechter hier nader naar kijkt, hetgeen in cassatie niet mogelijk is.

Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuwe beoordeling in hoger beroep, waarbij de redelijke termijn in acht moet worden genomen.

Uitkomst: Arrest vernietigd wegens onvoldoende bewijs en zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Griffienr. 02722/06
Mr Wortel
Zitting:9 oktober 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem waarbij verzoeker wegens "mishandeling" is veroordeeld tot een geldboete van € 100, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twee dagen hechtenis.
Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in diens vordering niet-ontvankelijk verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr B.J. Schadd, advocaat te Velp, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep wordt overschreden doordat de stukken van het geding te laat aan de Hoge Raad zijn toegezonden.
In aanmerking genomen dat het beroep is ingesteld op 4 november 2005, terwijl de stukken van het geding eerst op 13 september 2006, derhalve ruim tien maanden later, ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen, is de klacht terecht opgeworpen.
De rechter naar wie de zaak wordt terug- of verwezen zal daarmee rekening moeten houden.
4. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed, omdat uit geen van de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat verzoeker de dader van het feit is geweest.
5. Ook die klacht treft doel. De bewezenverklaring steunt op (i) een verklaring van de aangever, inhoudende dat hij van een fiets werd getrokken door een onbekende man die hem vervolgens vuistslagen toediende, (ii) een medisch attest betreffende bij de aangever geconstateerde kneuzingen, en (iii) de verklaring van een vriend van de aangever, onder meer inhoudende dat de aangever door een onbekende man werd geslagen. Deze bewijsmiddelen leggen geen enkel verband met de persoon van verzoeker.
6. Op grond van de gedingstukken zou dit verband wel te leggen zijn. Verzoeker heeft bij de politie en bij de behandeling in beide instanties verklaard - kort gezegd - dat hij een groepje jongens zag met een fiets die hij herkende als zijn eigen, gestolen fiets. Verzoeker heeft evenwel beweerd dat hij één van de jongens alleen heeft vastgepakt, en geen klappen heeft uitgedeeld. De aan de feitenrechter voorbehouden bewijsselectie zou een bewezenverklaring op grond van deze verklaring en die van de aangever, eventueel van getuigen, dus wel toelaten.
7. Een voorstel tot verbetering of herstel van de uitspraak langs deze lijn doe ik echter niet. Ik constateer dat de tot bewijs gebruikte verklaringen van de aangever en diens vriend op één punt van elkaar afwijken. Zoals hierboven reeds opgemerkt is het volgens de aangever zó gegaan dat hij op de fiets zat, en de onbekende man hem daar vanaf trok waarna de aangever klappen kreeg. De tot bewijs gebezigde verklaring van de getuige suggereert daarentegen dat zekere [betrokkene 2], die ook tot het groepje vrinden behoorde, op de fiets zat en de benen nam toen de onbekende man, roepende "Jij hebt mijn fiets gestolen" op hen af kwam, waarna de onbekende man zijn woede op de aangever koelde.
Het is misschien niet doorslaggevend voor de uiteindelijke bewijsvraag, maar het lijkt mij wenselijk dat hier nog eens beter naar wordt gekeken dan in cassatie mogelijk is.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,